In de jaren
vijftig leverde de "Ruyterschool", het huidige M.I.R., altijd een
groot aantal hoog opgeleide verse zeekrachten voor de schepen in het verre
Oosten.
Waarmede het
technische niveau van de vloot op een hoger peil gebracht kon worden.
Tenminste dat was zo ongeveer het idee, dat je als schoolverlater had meegekregen van de toenmalige vakdocenten.
Volgepropt met
kennis over Schotseketels, triple expansiemachines met open en gekruiste
stangen, Zeuner diagrammen, Weirspompen, luchtverstuiving in al zijn
verschijningsvormen en weet ik wat voor andere, toen al, niet meer bestaande
technische onzin.
Kortom je kon
met deze scheepskennis zo als suppoost in het maritieme museum een goed belegde
boterham verdienen.
Daar stonden
wij dan als begaafde technische scheepsingenieurs, drie man sterk, in de hut
van de Hoofdscheepswerktuigkundige in de veronderstelling dat wij met open
armen en in grote dankbaarheid begroet zouden worden.
Eindelijk zou
dan het scheepsbedrijf aan boord van de "Boissevain", door de
injectie van deze hoog begaafde technischebreinen op een hoger plan getild
kunnen worden.
Een arrogant
hautaine zelfingenomen glimlach hadden wij vol begrip voor deze bijzondere
gebeurtenis reeds op ons gelaat aangebracht, zodat het de goudgegalonneerde
superchef duidelijk zou zijn in welke bevoorrechte positie hij verkeerde.
Wij stonden te
wachten totdat hij zijn technische problemen in alle openheid op tafel zou
gooien en wij in staat zouden worden gesteld om snelle en eenvoudige oplossingen
voor hem aan te dragen.
Maar aan boord
van hare majesteit "Boissevain" zat men niet direct te wachten op
deze gespecialiseerde hoog opgeleide vakkrachten.
De technische
scheepstopfunctionaris van dit vaarjammer, een van erg veel goud voorziene officier,
had zo zijn eigen visie op leerlingen.
Dat bleek al
direct uit zijn men ons, voornamelijk in eerste persoon enkelvoud, gevoerde
monoloog
"Alles
wat meer strepen heeft is voor jullie meneer".
"Je gaat
direct je keteljurk pakken en in de wacht meedraaien".
"Morgen
laat je mij een foutloos lens en ballastschema zien, zo niet, dan schop ik
jullie weer net zo lang onder de plaat totdat ik er heel en heel erg tevreden
over ben".
Wat maakte
deze machinebaas toch een erg onsympathieke indruk op ons, de in de
scheepshiërarchie zo laag geplaatste, technische paria's.
Bureaus of
praatgroepen voor gekwetste junior zeeofficiertjes waren nog niet uitgevonden.
Maatschappelijkewerkers
om uit te huilen, schouders van vers geschoren zieleknijpers om de ontstane stress
te verwerken ho maar.
Riagg voor
begeleiding door hoog betaalde watjes
ook al niet.
De correlatie
telefoon voor anonieme praatplatforms van hoogbegaafde scheepstechnici om
het opgelopen trauma te verwerken werd door de toenmalige sociale scheepsdienst
nog niet gesubsidieerd.
De opgedane
hevige zielsaandoening moest maar even, met eigen hulp, verdrongen worden.
Hiervoor werd
ik gelukkig uitgebreid in de gelegenheid gesteld door mijn chef van wacht, een
zeer dik gebuikte weinig spraakzame derde s.w.t.k.
In koopvaardij
kringen werd deze zeer veel voorkomende lichaamsvorm aangeduid met de naam
“pilspens”.
De drager van
dit bijzondere grote buikige groeisel was zonder spiegel niet in staat of hulp
van buiten vast te stellen of hij jongetje of meisje was.
Onder de
vloerplaten van de "Boissevain" was het prettig toeven zo samen met
mijn “flashlight”.
Gelukkig
constateerde ik een lekke leiding.
Opgetogen
kroop ik uit mijn lustoord onder de plaat, om een goede beurt bij mijn
wachtoverste te gaan maken.
"Meneer
er lekt daar een buis", want "meneer" zeggen was mij reeds
duidelijk geleerd.
Hij keek mij
aan over de rand van zijn vette buik, met een vies vertrokken gezicht alsof ik
een verschijning was, die je met nat warm vochtig weer onder een vieze steen
aan kunt treffen.
"Aan
boord van schepen heb je pijpen en leidingen en laat ik het woord buis nooit en
nooit meer horen".
Zo ik had weer
iets geleerd en een nieuwe vriend voor eeuwig erbij.
Gedurende mijn
verdere exploratietocht in de scheepsingewanden van de "Boissevain"
stuitte ik op een pomp, waarmede zowel sanitair water als lensgepompt kon
worden.
Omdat ik
mijzelf vanwege deze ontdekking uitermate slim vond, vroeg ik hem, mijn toen
reeds zeer geliefde wachtchef, of hij de goedheid wilde hebben om met zijn
oneindige grote machinekamer kennis en wijsheid, dit aan mij te willen verklaren.
Inmiddels had
ik gemerkt, dat als hij de gehele wacht onder de luchtkoker had mogen hangen
hij het best aanspreekbaar was.
"Ja als
je daar niet mee oplet kun je de machinekamerbilge zo bij de "Baas"
in zijn ligbad pompen, ha, ha,".
"Daarom
hangt er ook op de verdeelkast een labeltje aan de afsluiter, dat je die niet
moet openen als je lenspompt".
Deze kennis
opende perspectieven om de tot nu opgelopen frustraties te kunnen verwerken.
Het duiveltje,
in ieder mens aanwezig, fantaseerde als dat labeltje nu ongemerkt en vanzelf
een afsluitertje opschuift.
Wie weet wat
er dan voor mooie dingen kunnen gebeuren?
Enkele wachten
later werd het geluid van de drie Sulzermotoren ruimschoots overtroffen.
Vlak voor het
einde van de wacht leek het er even op dat we op een mijn liepen of werden
getorpedeerd, want onze geliefde machine baas kwam duidelijk niet blij maar wel
heel erg opgewonden met een omgeslagen handdoek, op zijn mandislippertjes en
heel erg onfris ruikend de trappen af stormen.
"Welke
g.... g.... g.... l.l heeft g.... g.... g..lensgepompt".
Een zeer
blijmoedig gevoel van opperste gelukzaligheid maakte zich van mij meester, want
ik had niet lensgepompt.
J.A.Valijn