GEORGE

 

 

Dit verhaal speelde zich af in de jaren vijftig, toen wij als zeevarende natie nog wat betekenden.

Varen was toen voor de reders en uiteindelijk de Nederlandse schatkist een lucratieve bezigheid.

Ofschoon het aantal bemanningsleden, vergeleken met heden, hoog was zag men kans door lage honorering, veel werkuren,  karige maaltijden en een hoge graad van zelf­werkzaamheid, de loonkosten laag te houden.

Van het aan boord aanwezige gezag werd door onze onvolprezen en zeer geliefde reder verwacht, dat zij de doelstelling van lage kosten zo dicht mogelijk benaderden of nog beter overtroffen

Deze scheepsmachthebbers waren door het logistieke maritieme walmanagement nage­noeg met absolute dictatoriale bevoegdheden geoutilleerd, hiervoor ontvingen zij op hun beurt weer vele privileges; geen wachtlopen, apart voer, geen tegenspraak en omgang met de passagiers.

Om deze hiërarchische hoedanigheden tot uitdrukking te brengen en te accentueren waren zij door onze scheeps­uitbater voorzien van allerlei gouden versierselen.

De gevolgen van deze zware taakstelling kwam duidelijk tot uiting in hun lichaamsvorm.

De door drank,  rook en vrouwen geteisterde lijven van de scheepsleiding vertoonden hiervan de on­loochenbare kenmerken: peervormige silhouet, hangbuik, pilspens en amechtig hijgen waren de loodzware tol die betaald werd voor het varen op passagiers­schepen. 

Wat onze oudere scheepsdespoten aan conditie, fraai uiterlijk en jeugdige hartstocht te kort kwamen, trachtten zij met hun goudgegalonneerde outillage te compenseren.

Dit werd door de jonge onbeduidende lage rang officieren, voorlopig nog met de fraaie gebruinde sterke sportieve gestaltes van jonge god­en, als een absolute oneer­lijke concurrentie ervaren.

Deze jonge verworpenen en kanslozen der vloot die, door hun verblijf in het scheepsar­beidersmilieu duidelijk vanuit een achterstandssituatie en nagenoeg zonder perspectief tot de echte kansarmen behoorden,  probeerden via lage listen en intriges hun nobel doel te bereiken.

 

In Durban kregen wij een familie aan boord, die een complete rondreis met de Harer Majesteits Ruys zou maken.

Een Pa en Ma met twee dochters in de leeftijdsgroep van de jonge dek en machine slaven, de junior etat-majoor van het zeejammer Ruys.

Als je toentertijd een rondreis van dit niveau kon maken, dan moest je wel schatrijk en schatrijk zijn.

Dus deze dochters, met hun buitengewoon fraaie vormen, waren onmiskenbaar kinderen van zeer rijke ouders.

Daarnaast waren zij vrij en ongeremd in hun omgangsvormen, maar begrepen  onmis­kenbaar niets van het onderscheid tussen hoog en laag gezag aan boord.

Hierdoor konden wij het al direct goed met elkaar vinden.

De eerste de beste avond aan boord was het groot feest in een van de personeelshuisjes van de lagere klasse.

De beide dames voegden zich bij ons met het excuus dat het in de 1ste klas tussen de ouderen minder leuk was en dat zij onze jeugd verkozen boven het klater goud, of iets van die strekking.

Wij probeerden nog, tegen beter weten in en met de overtuigingskracht van een nat vloeitje, uit te leggen dat onze met veel goud behangen machthebbers er heel en heel erg veel be­zwaar tegen zouden maken, dat dames zich inlieten met het lagere scheepsgrauw.

Op hun uitnodiging, om de volgende dag op het 1ste klas dek te komen tennissen, ver­klaarden wij dat heel en heel graag zouden willen, maar dat dit absoluut niet was toegestaan door onze gezagvoerder.

Voordat wij uitgesproken waren stonden onze sportieve uitdaagsters reeds in de hut van de scheepsoverheid om hierover hun beklag te doen.

-Natuurlijk mochten deze scheepsgodinnen tennisspelen als zij daar prijs op stelden.

Uiteraard was het, volgens onze hoogste scheepshotementoot, een veel gehoord misver­stand, dat de jonge veelbelovende tennis spelende lagere officieren zich niet met de daarom vragende passagiers mochten bemoeien.

In hun absolute onnozelheid kwamen zij heel triomfantelijk vertellen, dat er eigenlijk geen vuiltje aan de lucht was en dat het gezag heel erg blij was, dat zij het naar hun zin zouden hebben en zich aan boord kostelijk zouden vermaken.

Wij probeerden uit te leggen dat wij als de lager kaste in de scheepshiërarchie, hiervoor later door toedoen van deze vaarbrahmanen, heel en heel zwaar zouden moeten boeten.

De volgende dag stonden wij ons dan op het dek tussen de witte lijnen uit te sloven.

George onze hoogste machine manager was daarbij als supporter aanwezig.

U dient te weten dat George een bijzonder kleine homo sapiens was, erg ijdel, geil,

kleingeestig, ­wellustig ook naar macht en een enorme versierder van alles wat maar gerokt of zelfs niet gerokt was.

Het verhaal ging dat een van zijn discipelen hem al eens in vertrouwen had medege­deeld, dat hij aan hem niet eens het graf van zijn overleden grootmoeder zou durven wijzen.

Flauwe grapjes makend, breed smilend, de dames aanmoedigend, eigen personeel afkrakend, kortom George vermaakte zich kostelijk.

Direct na de partij werden de door ons aanbeden tennistegenstandsters in zijn hut uitgenodigd om daar gezellig, alleen met hem, een drankje te komen drinken, dat had­den de dames wel verdient, vond George.

Wij hoorden op afstand vanuit onze huisjes het gelach, gegiegel, gewauwel en gekir knarsetandend aan.

S’avonds toen onze aanbedenen zich weer bij ons gevoegd hadden, trachtten wij, de door frustraties gekwelde scheepsvazallen, absoluut niet objectief,  subtiel en geraffi­neerd uit te leggen, dat George absoluut onbetrouwbaar was, speciaal voor vrouwen.

Hij was zelfingenomen, voor zijn ondergeschikten en andere machinedienaren een etter, doch naar alles wat maar een rok droeg een en al gevijnsde beminnelijkheid, kortom een ijdel besnort haantje met gerecht kammetje en gemaakt smiletj

Er was toentertijd geen RIAGG, praatplatform, ongewenste activiteiten meldpunt, correlatie telefoon, gespreksgroep, patiënten vereniging, discriminatie meldpunt of een andere strijd of hunkergroep voor achtergestelde schepelingen.

Maar de meisjes begrepen ons volkomen en  hadden zielsveel met ons, de naar begrip en erkenning smachtenden scheeps­verworpenen, te doen.

Tegen de tijd dat de flessen leeg en ons gemoed nagenoeg vol was zaten wij bijna gelukzalig  zachtjes te wenen, zoveel begrip en troost hadden wij heel lang moeten ontberen.

De dag daarop kregen wij de schok van ons leven, dit leek op verraad van het allerlaag­ste soort, want er klonk weer vrolijk gelach en gekir uit de hut van George.

In ons huisje heerste een grafstemming en er hing een grijs grauwe wolk van fijn

verdeeld glazuur,  zo knarsten wij tand.

Als er toen reeds een vereniging van vrijwillige euthanasie was geweest, dan hadden alle aanwezigen zich spontaan aangemeld.

Maar goed drank maakt meer goed dan u lief is.

S’avonds hingen wij allen met een zwaar hoofd, depressief zonder enige verdere levens­verwachting van betekenis, verveeld in ons scheepskotje.

Opeens stonden daar twee vals lachende passagierres, alsof er niets was gebeurt, in de scheeps­hut.

Olijk ginnegappend staarden zij ons aan voordat wij als zwaar gefrustreerde scheeps­zotten, want zo voelde wij ons, een opmerking konden maken, zeiden zij “wait and see”.

Er bleef ons dus niets anders over om de ons zo vertrouwde drankdraad dan maar weer op te pakken.

Zij lieten zich ook niet onbetuigd in deze offer sessie aan de enige die ons echt begreep,

de zo vertrouwde, geliefde en aanbeden Bacchus, maar de meisjes hadden een groot geheim, dat was glashelder.

Enkele dagen van vrolijk tennissen, drankje pakken, geen ginnegappende dames meer in de hut van onze gougegalonneerde machine meesterknecht.

Het scheepsleven was weer waard om geleefd te worden.

Het was ons al opgevallen dat George zich niet of nauwelijks nog in het openbaar vertoonde, wat op zich, voor iedereen die plezier in het leven had, een ware opluchting betekende.

Maar vreemd was het wel om niet langer als pispaal dienst behoeven te doen.

Gedurende een van offerfeesten ter ere van Bacchus, brachten wij dit fenomeen ter sprake dat de laatste tijd het leven aan boord een stuk aangenamer was geworden.

De meisjes keken elkaar eens aan en vertelden ons hun geheim.

“We have hide his denture”.

 

 J.A.Valijn