Dit verhaal speelde zich af in de
jaren vijftig, toen wij als zeevarende natie nog wat betekenden.
Varen was toen
voor de reders en uiteindelijk de Nederlandse schatkist een lucratieve
bezigheid.
Ofschoon het
aantal bemanningsleden, vergeleken met heden, hoog was zag men kans door lage
honorering, veel werkuren, karige
maaltijden en een hoge graad van zelfwerkzaamheid, de loonkosten laag te
houden.
Van het aan boord
aanwezige gezag werd door onze onvolprezen en zeer geliefde reder verwacht, dat
zij de doelstelling van lage kosten zo dicht mogelijk benaderden of nog beter
overtroffen
Deze
scheepsmachthebbers waren door het logistieke maritieme walmanagement nagenoeg
met absolute dictatoriale bevoegdheden geoutilleerd, hiervoor ontvingen zij op
hun beurt weer vele privileges; geen wachtlopen, apart voer, geen tegenspraak
en omgang met de passagiers.
Om deze
hiërarchische hoedanigheden tot uitdrukking te brengen en te accentueren waren
zij door onze scheepsuitbater voorzien van allerlei gouden versierselen.
De gevolgen van
deze zware taakstelling kwam duidelijk tot uiting in hun lichaamsvorm.
De door
drank, rook en vrouwen geteisterde
lijven van de scheepsleiding vertoonden hiervan de onloochenbare kenmerken:
peervormige silhouet, hangbuik, pilspens en amechtig hijgen waren de loodzware
tol die betaald werd voor het varen op passagiersschepen.
Wat onze oudere
scheepsdespoten aan conditie, fraai uiterlijk en jeugdige hartstocht te kort
kwamen, trachtten zij met hun goudgegalonneerde outillage te compenseren.
Dit werd door de
jonge onbeduidende lage rang officieren, voorlopig nog met de fraaie gebruinde
sterke sportieve gestaltes van jonge goden, als een absolute oneerlijke
concurrentie ervaren.
Deze jonge
verworpenen en kanslozen der vloot die, door hun verblijf in het scheepsarbeidersmilieu
duidelijk vanuit een achterstandssituatie en nagenoeg zonder perspectief tot de
echte kansarmen behoorden, probeerden
via lage listen en intriges hun nobel doel te bereiken.
In Durban kregen
wij een familie aan boord, die een complete rondreis met de Harer Majesteits
Ruys zou maken.
Een Pa en Ma met
twee dochters in de leeftijdsgroep van de jonge dek en machine slaven, de
junior etat-majoor van het zeejammer Ruys.
Als je
toentertijd een rondreis van dit niveau kon maken, dan moest je wel schatrijk
en schatrijk zijn.
Dus deze
dochters, met hun buitengewoon fraaie vormen, waren onmiskenbaar kinderen van
zeer rijke ouders.
Daarnaast waren
zij vrij en ongeremd in hun omgangsvormen, maar begrepen onmiskenbaar niets van het onderscheid
tussen hoog en laag gezag aan boord.
Hierdoor konden
wij het al direct goed met elkaar vinden.
De eerste de
beste avond aan boord was het groot feest in een van de personeelshuisjes van
de lagere klasse.
De beide dames
voegden zich bij ons met het excuus dat het in de 1ste klas tussen de ouderen
minder leuk was en dat zij onze jeugd verkozen boven het klater goud, of iets
van die strekking.
Wij probeerden
nog, tegen beter weten in en met de overtuigingskracht van een nat vloeitje,
uit te leggen dat onze met veel goud behangen machthebbers er heel en heel erg
veel bezwaar tegen zouden maken, dat dames zich inlieten met het lagere
scheepsgrauw.
Op hun
uitnodiging, om de volgende dag op het 1ste klas dek te komen tennissen, verklaarden
wij dat heel en heel graag zouden willen, maar dat dit absoluut niet was
toegestaan door onze gezagvoerder.
Voordat wij
uitgesproken waren stonden onze sportieve uitdaagsters reeds in de hut van de
scheepsoverheid om hierover hun beklag te doen.
-Natuurlijk
mochten deze scheepsgodinnen tennisspelen als zij daar prijs op stelden.
Uiteraard was
het, volgens onze hoogste scheepshotementoot, een veel gehoord misverstand,
dat de jonge veelbelovende tennis spelende lagere officieren zich niet met de
daarom vragende passagiers mochten bemoeien.
In hun absolute
onnozelheid kwamen zij heel triomfantelijk vertellen, dat er eigenlijk geen
vuiltje aan de lucht was en dat het gezag heel erg blij was, dat zij het naar
hun zin zouden hebben en zich aan boord kostelijk zouden vermaken.
Wij probeerden
uit te leggen dat wij als de lager kaste in de scheepshiërarchie, hiervoor
later door toedoen van deze vaarbrahmanen, heel en heel zwaar zouden moeten
boeten.
De volgende dag
stonden wij ons dan op het dek tussen de witte lijnen uit te sloven.
George onze
hoogste machine manager was daarbij als supporter aanwezig.
U dient te weten
dat George een bijzonder kleine homo sapiens was, erg ijdel, geil,
kleingeestig, wellustig
ook naar macht en een enorme versierder van alles wat maar gerokt of zelfs niet
gerokt was.
Het verhaal ging
dat een van zijn discipelen hem al eens in vertrouwen had medegedeeld, dat hij
aan hem niet eens het graf van zijn overleden grootmoeder zou durven wijzen.
Flauwe grapjes
makend, breed smilend, de dames aanmoedigend, eigen personeel afkrakend, kortom
George vermaakte zich kostelijk.
Direct na de
partij werden de door ons aanbeden tennistegenstandsters in zijn hut
uitgenodigd om daar gezellig, alleen met hem, een drankje te komen drinken, dat
hadden de dames wel verdient, vond George.
Wij hoorden op
afstand vanuit onze huisjes het gelach, gegiegel, gewauwel en gekir
knarsetandend aan.
S’avonds toen
onze aanbedenen zich weer bij ons gevoegd hadden, trachtten wij, de door
frustraties gekwelde scheepsvazallen, absoluut niet objectief, subtiel en geraffineerd uit te leggen, dat
George absoluut onbetrouwbaar was, speciaal voor vrouwen.
Hij was
zelfingenomen, voor zijn ondergeschikten en andere machinedienaren een etter,
doch naar alles wat maar een rok droeg een en al gevijnsde beminnelijkheid,
kortom een ijdel besnort haantje met gerecht kammetje en gemaakt smiletj
Er was
toentertijd geen RIAGG, praatplatform, ongewenste activiteiten meldpunt,
correlatie telefoon, gespreksgroep, patiënten vereniging, discriminatie
meldpunt of een andere strijd of hunkergroep voor achtergestelde schepelingen.
Maar de meisjes
begrepen ons volkomen en hadden
zielsveel met ons, de naar begrip en erkenning smachtenden scheepsverworpenen,
te doen.
Tegen de tijd dat
de flessen leeg en ons gemoed nagenoeg vol was zaten wij bijna gelukzalig zachtjes te wenen, zoveel begrip en troost
hadden wij heel lang moeten ontberen.
De dag daarop
kregen wij de schok van ons leven, dit leek op verraad van het allerlaagste
soort, want er klonk weer vrolijk gelach en gekir uit de hut van George.
In ons huisje
heerste een grafstemming en er hing een grijs grauwe wolk van fijn
verdeeld
glazuur, zo knarsten wij tand.
Als er toen reeds
een vereniging van vrijwillige euthanasie was geweest, dan hadden alle
aanwezigen zich spontaan aangemeld.
Maar goed drank
maakt meer goed dan u lief is.
S’avonds hingen
wij allen met een zwaar hoofd, depressief zonder enige verdere levensverwachting
van betekenis, verveeld in ons scheepskotje.
Opeens stonden
daar twee vals lachende passagierres, alsof er niets was gebeurt, in de scheepshut.
Olijk
ginnegappend staarden zij ons aan voordat wij als zwaar gefrustreerde scheepszotten,
want zo voelde wij ons, een opmerking konden maken, zeiden zij “wait and see”.
Er bleef ons dus
niets anders over om de ons zo vertrouwde drankdraad dan maar weer op te
pakken.
Zij lieten zich
ook niet onbetuigd in deze offer sessie aan de enige die ons echt begreep,
de zo vertrouwde,
geliefde en aanbeden Bacchus, maar de meisjes hadden een groot geheim, dat was
glashelder.
Enkele dagen van
vrolijk tennissen, drankje pakken, geen ginnegappende dames meer in de hut van
onze gougegalonneerde machine meesterknecht.
Het scheepsleven
was weer waard om geleefd te worden.
Het was ons al
opgevallen dat George zich niet of nauwelijks nog in het openbaar vertoonde,
wat op zich, voor iedereen die plezier in het leven had, een ware opluchting
betekende.
Maar vreemd was
het wel om niet langer als pispaal dienst behoeven te doen.
Gedurende een van
offerfeesten ter ere van Bacchus, brachten wij dit fenomeen ter sprake dat de
laatste tijd het leven aan boord een stuk aangenamer was geworden.
De meisjes keken
elkaar eens aan en vertelden ons hun geheim.
“We have hide
his denture”.
J.A.Valijn