Als
vijfde scheepswerktuigkundige aan boord van een schip werd je, door je van nog
meer strepen voorziene mede technici, als een soort duvelstoejager beschouwd.
Zo ook
aan boord van hare majesteit m/v Boissevain.
Daar had
je naast je normale wachtwerkzaamheden ook nog de taak om je wachtchef te
provianderen, om hiermede de in de messroom opgelopen voedsel te korten aan te
vullen.
Voor de
buitenstaanders, de wachtwerkzaamheden bestonden in de eerste plaats uit het
z.g "rondje" maken.
Dit hield
in dat je de gehele installatie aan alle kanten bevoelde om het welzijn van de
aanwezige scheepswerktuigen vast te stellen.
Deze mocht niet lekken of morsen. De temperaturen
dienden binnen zeer nauwe grenzen gehouden te worden.
Ze moest
van de juiste en beste kwaliteit olie voorzien worden. Deze voorwerpen uit de
technische studieboeken werden meer verwend en gekoesterd dan een zeemansvrouw
na een lange reis.
Kortom
kosten noch moeite, noch vijfdes als wachtslaven, gespaard om onze technische
installaties in een optimale conditie te houden.
Hoe
schril stond daar het welzijn van de goudgegalloneerde scheepsmachinebedieners
tegenover. Deze wakkere technische ploeteraars waren geheel op eigen
initiatieven aangewezen om de inwendige mens te kunnen versterken en de scheurbuik
buiten de deur te houden.
Na een
moeizaam rondje, dat minimaal een uur in beslag moest nemen, waren er geen
correlatie nummers om anoniem een praatgroepje te vormen. Platforms voor
uitgebuite en onder zware werkdruk staande vervoersambtenaren waren nog
onbekende begrippen.
Riagg
bestond niet, maatschappelijkwerkers, inspraak en andere flauwekul moesten
nog ontdekt en uitgevonden worden.
Het enige
wat telde was het humeur van je wachtchef.
Hoe
ongeloofwaardig het misschien ook klinkt, er was toen een wachtchef die van
melk voorzien wenste te worden de gehele wacht lang en in onbeperkte
hoeveelheden begeerde hij melk te slurpen.
In die
tijd lagen de verhoudingen erg makkelijk eenvoudig en duidelijk. Hij had meer
strepen en het daardoor dus voor het zeggen.
U moet
weten dat er op passagierschepen altijd verse melk was, alleen met die
beperking dat deze uitsluitend bestemd was voor hogere officieren en de
passagiers.
Door de
chefkok werd dit gouden vocht dan ook beter verdedigd dan het maken van de
nodeloze dienstreizen door onze huidige politici.
Gelukkig
beschikte het toenmalige corps vijfde werktuigkundigen over uitzonderlijke
kwaliteiten om, hoe dan ook, aan voedsel te komen.
Velen van
hen hadden een grote ervaring opgedaan in het organiseren van eerste
levensbehoeften, sommige in de jappen kampen , anderen weer met praktijk en
ondervinding hoe je de moffen bezetting te vlug af moest zijn.
Kortom
wat technisch kwaliteiten betreft om aan voedsel te komen stonden zij, door
meerjarige oefening, op eenzame hoogte.
Ja de
toenmalige wachtchefs beseften niet in wat voor een bevoorrechte positie zij
verkeerden.
De
chefkok begreep niet dat er steeds melk verdween want alles was volgens zijn
uitermate beperkte technische kennis uitstekend vergrendeld en afgesloten.
Dit was hem eigenlijk niet kwalijk te nemen met zo'n stel uitgelezen en in de
praktijk geschoolde en hoogbegaafde tegenspelers.
Daarom
besloot onze voerverkrachter dat er maar op heterdaad betrapt moest gaan
worden.
S'middags
gedurende "siësta" tijd offerde hij zijn "middagpiepje"
op, om een einde te maken aan de melk missie.
Bij het
passeren van zijn hut stond deze op een kier en als geoefend en niet van
gisteren zijnde voedselorganisator betekende dit groot alarm.
In
tegenstelling met de altijd fout lopende nationale rampenplannen ging het
toenmalige project geruisloos naar de noodfase.
In de
galley werd de melkkan niet met, door de wachtchef zo begeerde kostelijke vocht
melk, gevuld, maar met ijs en ijskoud ijswater gevuld.
Op de
terugweg bij het passeren van de hut van onze gastronomische beunhaas werd de
deur plotseling geopend en mij de weg versperd.
Ter
plaatse was de dienst gang erg smal en zijn vieze vettige kwabbuik sloot zich
om mij heen en ik werd tegen de wand vastgezet.
In die
tijd waren chefkoks altijd voorzien van heel erg vieze dikke buiken.
Het was
een onsmakelijke situatie en het gaf een heel onaangenaam gevoel. Het beste te
vergelijken met een tongzoen van je broer, U kent dat wel.
Daar ik
geen kant op kon en er erg weinig ruimte was, moest ik de kan wel boven het
hoofd houden.
"Ik
wil in de kan kijken" zei de wakkere voedsel waakhond.
"Je
kunt wel zo veel willen" sprak ik als transporteur van het ijswater. Hij
greep mijn armen en keerde daarmee keurig de kan om en leegde deze over zijn
dikke lichaam. De daarop volgende monoloog van onze veelal vaste toeleverancier
van melkprodukten kan i.v.m. censuur niet weergegeven worden.
J.A.Valijn.