TAART

 

 

In de jaren 50 was Nederland nog een scheepvaart natie van betekenis.

Toentertijd waren er nog vele scheepvaartmaatschappijen waaronder enkele met een kwalijk, althans volgens de op staatsfondsen levende wereldverbeteraars, koloniaal verleden.

Een zeer bekende vaarclub was de KJCPL met enige, in die tijd zeer beroemde schepen.

De Harer Majesteit Ruys, Boissevain en Tegelberg.

Deze schepen waren geheel betaald uit de opbrengsten van de winst gemaakt op koloniaal geteelde tabak.

Toen was roken nog gezond en had het Deli-blad een wereld faam.

Na we eerst nu weten stond er achter iedere klinknagel een vroeg­tijdig overleden longkanker patiënt en in die schepen zaten toen nog heel erg veel klinknagels.

Gelukkig maar, anders hadden we naast ons koloniaal trauma ook nog deze schulden last mee moeten torsen.

Het regime aan boord was nog geheel gebaseerd op eenvoudige koloniale normen.

Rangen en standen kenden reeds een eeuwen lange traditie en kenmerk­te zich door simpelheid, want het gezag en het gelijk werd eenvoudig bepaald door het aantal strepen.

Daarnaast werd de verdeling van gunsten en de kwaliteit van het verstrekte voedsel geheel vastgesteld volgens de rangregel.

Terwijl voor de verdeling van het werk en de hiervoor beschikbaar gestelde tijd een intregale omgekeerde volgorde werd aangehouden.

Zo ook aan boord van Harer Majesteit Boissevain.

De hoofdofficieren, van erg veel goud voorzien, hadden als hoofdtaak de gasten te entertainen. 

Dit amusement bestond voornamelijk uit veel drinken, lekker eten en het behagen van, bij voorkeur vrouwelijke, passagiers.

Als uiterlijk kenmerk van hun goede leven, hadden de meeste van deze goudgegallonnneerde scheeps­narren de wel bekende functionele pilspens opgebouwd.

Als schril con­trast stond hier tegenover de schrale schriele figuurtjes van de lagere onderbetaalde en uitgemergelde zeeofficieren.

Deze ondergewaardeerde en ondervoede werk- en wachtslaven waren geheel aangewezen op eigen inventiviteit om de hoognodige extra koolhydraten, eiwit­ten en vitaminen te bemachtigen.

Sommigen van hen hadden in de Jappenkampen een uitstekende scholing gehad in het organiseren van eetwaar of wat daarvoor door moest gaan.

De door hen toegepaste jattechniek stond op eenzame hoogte en was nagenoeg door niemand niet of nauwelijks te evenaren.

 

U dient te weten dat er aan boord van een schip drie hoofdgroepen waren te onderscheiden: (tegenwoordig zou je dit business-units noemen)

De dekdienst; (nee dit heeft geen betrekking op de passagieressen, ofschoon de dekhengsten dit vaak wel wilden), daarnaast hielden zij zich bezig met bepalen van plaats en lading.

De machinedienst; binnen deze organisatie werden de geïntrigeerde kern activi­teiten uitgevoerd door lang en hard te werken.

De civiele dienst; bij de eerste twee genoemde diensten bestond de overtuiging, dat het laatst genoemde instituut voornamelijk werd bemand door niet geheel te vertrouwen ritselaars, omdat zij probeerden de kosten voor de voeding van de andere diensten beneden het absolute overlevingsminimum te houden.

Of deze opvatting juist is zullen we hier in het midden laten, ofschoon het wel te denken geeft, omdat ex-hofmeesters het in de politiek goed schijnen te doen.

De chef-kok, een soort kombuis ayatolla, behoorde ook bij het illustere civiele dienst establishment en de verhouding tussen hem en de machinedienst laat zich het dichts benaderen als de huidige relatie van Huttu’s en Tutsi’s.

Op zijn best zou je het een gewapende vrede kunnen noemen.

Deze keukenprins, die alle kenmerken vertoonde van een Bourgondiër met zijn zwaarlijvig  weldoorvoede, volgevulde buikomvang, was dan ook, naast zijn functie van het uitzeven van meelwormen alvorens het brooddeeg werd bereid, dag en uur bezig met de verdediging van zijn domein tegen het listig opererende gilde van verhongerende voedsel zoekers uit de machinedienst.

Alle deuren, kasten, koelruimten, waren voorzien van sloten, kettingen en beu­gels om te voorkomen dat ook deze technische werkslaven een buik van enige omvang zouden kunnen opbouwen.

Tegenwoordig zou zo’n man een goed belegde boterham als gezondheidsthera­peut kunnen verdienen.

Maar voor de technisch opgeleide, toen nog niet geïntri­geerde machinebedieners, vormden zijn belemmeringen om bij voedsel te komen iedere keer weer de bekende systematische ultieme uitdaging om door zijn voedselverdedigingswerken heen te dringen.

Hierbij vergeleken was het Amerikaanse ford “Knox” een open inrichting.

Het was een voortdurend kat en muis spelletje tussen onze letterlijk en figuurlijk goed gevulde civiele dienst medewerker, met het functieprofiel van schijnbare culinaire managementtechnieken, welke veronderstelde bedrevenheid hij voor de hongerige  nautische thuislozen in de messroom, uiterst goed wist te verbergen.

 

Op een letterlijk en figuurlijk goede dag, bij het overgeven van de wacht, meldde mijn technische ­ confrère van de “platvoet”,  dat onze vijandige verdediger van kook- bak- en braadprodukten, in zijn hut zelf wel een grote slagroompunt in zijn reeds vol gegeten lichaam had gewerkt.

Dit werd als een zeer groot onrecht ervaren.

Wij, die de winsten tot volle tevre­denheid van de aandeelhouders van de maatschappij naar ongekende hoogten opstuwden, met onze overwerkte magere om voedsel schreeuwende lichamen hadden hierop de meeste aanspraak.

Als scheepsbijstandgerechtigde en tot de echte technische minima behorende lagere machineofficiertjes, waarvoor toen nog geen extra bijstand werd ver­schaft.

Een extra voedsel bijdrage, te vergelijken met de huidige huursubsidie, moest nog uitgevonden worden.

Wij als technische machine medewerkers besef­ten direct, dat een slagroom punt een onderdeel van een veel groter geheel moest zijn geweest.

Onze breinen werkten op topcapaciteit, dat is een van de kenmerken van het beroepsgenootschap van de machine dienst, dat zij inventief analyserend en uiterst snel kunnen denken.

Dit is ook het grote kenmerkende onderscheid van voornoemde hoofdgroepen aan boord van een schip.

De meest waarschijnlijke bergplaats van dat kostelijke slagroom gebeuren, waarvan de ooggetuige als extra bijzonderheid had vermeld, dat deze tevens was voorzien van verse vruchten, was de koelkist.

De toegankelijkheid van dit kombuismeubel liet zich het best vergelijken met een bunker uit de Walcherse Atlanticwal.

Zware dubbele beugels  voorzien van extra zware lipssloten vormden een onneembare vesting voor iedereen die op voedsel­roof ging, dacht onze witgemutste voedsel vernietiger.

Enkele jaren daarvoor was door de edelgermanen, gelukkig voor ons, dezelfde denkfout gemaakt door te verwachten, dat de Atlanticwal onneembaar zou zijn.

Ja, de geschiedenis herhaalt zich.

Hier in dit schrijven kan het geheim van de zwakke defensie, van onze scheepsmeelwormenbrader, na zoveel jaar wel in de openbaarheid gebracht worden.

Een eenvoudig schroevendraaiertje was als gereedschap voldoende om deze voedselvesting te openen.

Het handvat van het deksel werd eraf geschroefd en de beugels compleet met sloten konden dan terzijde worden geschoven.

Deze handeling werd s’avonds op de “eerstewacht” na 10 uur uitgevoerd, omdat dan onze galley ausputzer reeds in zijn envelopje lag.

Inderdaad daar lag in volle glorie een grote ronde slagroomtaart voorzien van vele verse vruchten.

Dit was een beeld dat, door jaren lange afwezigheid van enige culturele culinaire beleving totaal, was vervaagd.

Een groot gevoel van opperste dankbaarheid en begeerte maakte zich meester van de technische functionaris bij het aanschouwen van zoveel lekkers.

Er was slechts een reeds door de kok verorberde punt uit het geheel verdwenen.

Wiskundig zou je het zo kunnen benaderen, dat er slechts een negatieve punt afwezig was en een positief cirkel gedeelte nog aanwezig.

Voor de niet wiskundi­gen onder U, een cirkel bestaat uit 360 graden! Hiervan was ongeveer 15 graden als negatieve punt verdwenen en aangezien de bereider en verorberaar van die spits weinig of geen kennis van mathematica werd verondersteld te hebben, lag het voor de hand om het positieve deel met een aantal graden te verminderen.

In no time was het cirkelportie, die voor uitbreiding van het negatieve deel verantwoordelijk was, naar de vetloods verdwenen waar het door de aldaar aanwezigen met grote smaak werd verorberd.

Bij de overdracht van de wacht werd er natuurlijk uitgebreid melding gemaakt van het overheerlijke van veel vruchten voorziene slagroom banket.

De smaak en kwaliteit van het veroverde gebakspuntje werd breed uitgemeten en in alle toonaarden bezongen.

Bij het verlaten van de machinekamer lieten wij onze collega’s van de “hondenwacht” kwijlend van verlangen en vol afgunst achter.

De volgende morgen op de “voormiddagwacht” om 9 uur werd er achteloos een rondje door de kombuis gemaakt.

Het “môge chef” mocht niet al te hartelijk klinken want, dat zou mij al direct in de verdachtenbank kunnen plaatsen door het in overdosis aanwezige wantrouwen van onze voedsel manager. 

Quasi nauwkeurig werd de thermometer van de koude kast wat langer bekeken.

Tijdens deze kijkoperatie galmden en gorgelden daar diepe hartgrondig ge­meende “g” klanken uit de punt van de tenen van onze voedselvoorman door de kombuis.

Nu was het geboden om uiterst kalm te vragen, “zeg chef wat is er loos” en dat lukte.

Het bleek dat de ambtgenoten van de andere wachten ook diepgaand met de wiskunde aan de slag waren geweest.

Hij wees op een heel klein nu inmiddels positief geworden puntje slagroom gebak en stamelde daarbij heel teder en ontroerd:

“Gvg... wat moet gvg... ik nu gvg... met de koffie gvg... in de eerste gvg... klas gvg... gaan serveren”.

“Nee van die punt zullen je passagiers geen vette bek krijgen”, beaamde ik.

“Neem die dan ook maar mee en ik hoop dat je er in stikt”, was de reactie van onze geplunderde verongelijkte vloekende voedsel verpester.

Ondanks dat hij mij met dit commentaar heel en heel diep kwetste heb ik geen aanklacht wegens insubordinatie ingediend.

 

J.A.Valijn