EEN CARRIERE OP ZEE

Van mijmeringen tot een analyse.

 

De aanloop periode.

 

Terwijl in de oorlogsjaren '40 - '45 een generatie zeevarenden de bezetters van Nederland en het voormalige Nederlands-Indip zee bevocht, begon een aantal aspirant zeevarenden op diverse zeevaart en machinistenscholen in het bezette gebied aan hun opleiding voor de respectievelijk nautische en technische richting. In de tweejarige opleiding zaten enkele van mijn klasgenoten, wier vader of broer voor de geallieerden voeren, hetgeen zeker invloed op hun studieresultaten zal hebben gehad.

 

In diezelfde maand juli van 1943 dat de Kapiteinsvereniging in Londen werd opgericht, werd door de directeur van de toenmalige Zeevaartschool van Scheveningen het eindexamen getuigschrift aan mij uitgereikt. Deze zeevaartschool bevond zich in de kuststrook van de "Atlantic Wall" en was sinds enkele maanden tijdelijk ondergebracht in het centrum van Den Haag. De mogelijkheid om na het eindexamen de nodige vaartijd te behalen, was er toen niet bij tenzij men voor de bezetter wilde varen of het geluk had met behulp van een ondergrondse organisatie na omwegen Engeland te bereiken (de Engelandvaarder). De enige vaartijd was de jaarlijkse oefenreis van 14 dagen met de "Juliana" op het IJsselmeer. De drang om weg te komen was wel aanwezig. Een paar rederijen gaven toen een zes maandelijkse bijscholingscursus om de nautische opleiding op peil te houden. Zo was het ook mogelijk voor het theoretische gedeelte van de derde rang het examen af te leggen. De mondelinge examens voor de rangen zijn openbaar en men kon voor dat je zelf een oproep had gekregen, achter een examen kandidaat gaan zitten "meeluisteren". Het kon de kandidaat wel eens niet meezitten, wat de examinator de opmerking deed uitlokken "Ik zou dit of dat nog maar eens goed nakijken". Wanneer het een hoofdvak betrof wist je gelijk hoe laat het was en mocht je 2 of 3 maanden later alles weer overdoen. Het examengebouw op De Eerensplein en later op de Frankenslag zijn voor velen de bekende locaties geweest waar in afwachting op de uitslag van het examen je stress limiet werd getest. Naarmate de bezetter in het nauw kwam, werden de razzia's opgevoerd. Men was eigenlijk een illegaal in eigen land.

 

Eindelijk de bevrijding! De tijd van solliciteren en inschrijven bij de betrokken instanties brak aan. Toch duurde het voor menigeen nog vrij lang voordat men op een schip geplaatst kon worden. Half Maart 1946 werd mij een kustvaarder van 149 ton toegewezen, waarop in Lemmer werd aangemonsterd. De bemanning bestond uit de kapitein (eigenaar), de bestman, een leerling (neefje van de kapitein) en aangezien de echtgenote van de kapitein deze reis niet meevoer, kwam de nieuwe leerling uit de randstad mooi van pas. Het schip lag in een zijkanaal ter reparatie, alwaar ook landbouwwerktuigen en fietsen werden gerepareerd. Voor dekens, lakens en een strozak moest je zelf zorgen, dus terug naar huis, een afstand die in die tijd bijna een volle dag in beslag nam. Klompen en zeelaarzen waren bij uitstek het beste schoeisel aan boord. De accommodatie van de kapitein bevond zich achter het stuurhuis en de drie andere bemanningsleden waren geaccommodeerd in het vooronder waar verfblikken, staaldraad en touwwerk onder de kooi lagen opgeslagen. "Stap in de wereld die koopvaardij heet"!

 

Van Lemmer ging de reis via de Friese en Groningse binnenwateren naar Delfzijl. Voor de nacht werd halverwege ergens aangelegd, hierbij werd het schip zo dicht mogelijk naar de wal gestuurd, waarna je van het dek of op de wal sprong en de door de bestman aangegeven trossen en springen aan een dichtstbijzijnde paal of boom belegde.

 

In Delfzijl gaf de kapitein mij afgepast geld en een grote zak mee om voor een week brood in te kopen. De volgende bestemming was Emden waar in het enige ruim van het schip oud ijzer voor Boness (Schotland) werd geladen. De overtocht duurde vanwege het ruwe weer en het slechte zicht ruim vier dagen. De werkzaamheden bestonden uit heel veel roertorns, tussendoor bikken, schilderen, olielampen (navigatielichten) verzorgen en soppen in de machinekamer. Ook werd je bijgebracht hoe de motor gestart moest worden (aanslingeren) Door middel van een keerkoppeling kon vanaf de brug gemanoeuvreerd worden. Al met al integratie, kernbemanning en automatisering anno 1946!. Met de medeleerling, die ook de warme maaltijden verzorgde,werd beurtelings het toilet aan stuurboord onder het bakdek schoon gehouden. Deze faciliteit bestond uit een houten plank met een gat er in en daaronder een lege oliedrum met hengsel. Na het legen werd met de dekwas slang deze ruimte met toebehoren schoon gespoten. De schijnbare windrichting kon je op den duur dan ook zeer nauwkeurig bepalen.

Met behulp van het magnetisch kompas en de sleeplog werd op gegist bestek gevaren. Wanneer de wind het toeliet werd het zeil opgezet. Dit gebeurde ook wanneer je 's nachts tussen de wachten sliep en gepord werd om mee te helpen. De Schots kust werd in mistig weer en weinig wind aangelopen, Door het uitluisteren naar belboeien en het geluid van kanonschoten vanaf de wal kon de positie enigszins worden bepaald, Om beter te kunnen luisteren, werd de motor af en toe een tijdje gestopt.

 

Vanaf deze eerste Engelse haven schreef je een enthousiaste brief naar huis. Alles was toch beter dan wat je in de oorlogsjaren had meegemaakt. De gage was fl. 30,- per maand waarvan 1/3 in vreemde valuta werd uitbetaald, zijnde I.-

 

Om de zuid gaande werden nog enkele Engelse havens aangedaan en als laatste haven Penzance (Z.O. Engeland), waar met laag water het schip langs de kade droog stond, Dan gingen de 2 stellingplanken overboord en op het droge gedeelte afgevierd. De huidplaten werden dan zover mogelijk geschraapt en in de verf gezet.

Bij opkomende vloed weer aan dek, dan huiswaarts naar Rotterdam en afgemonsterd om daarna met de lichting 1925 in de 7 December Divisie te worden ingedeeld. Deze dienstbetrekking duurde 4 weken, want gered door het vaarplichtbesluit werd het volgende schip aangewezen.

Deze keer een troepentransportschip ("Nieuw Holland") . Een reis met passagiers naar het voormalige Nederlands - Indie en terug naar Nederland met enkele honderden evacu waarvoor de ruimen waren ingericht.

 

De twee volgende reizen werden gemaakt met 700 tot 800 militairen aan boord naar Indie en terug met evacuees In Atiqa bij Suez ontvingen de evacuees winterkleding. Een muziekkorps bestaande uit krijgsgevangenen uit het Duitse Afrikakorps zorgde voor een muzikale omlijsting.

Op wacht werd je op de brug bijgebracht wat met goed uitkijken bedoeld werd. Vooral de stuurlieden die in de oorlog gevaren hadden, leken over ogen als haviken te beschikken en waren meesters in het seinen met de dagseinlamp en Aldislamp. Er was een soort radar aan boord waarvan de antenne met de hand bediend werd. Veel kustverlichting was nog buiten gebruik en 's nachts werd je geleerd door de kijker de kim af te zoeken naar te peilen punten en die "over het handje" te peilen.

 

In de voormalige Nederlands-Indische havens werden de schepen vaak geladen of gelost door Japanse krijgsgevangenen. Door een tussenreis naar Bangkok om ex-KNIL krijgsgevangenen op te halen, werd de gelegenheid geboden deze stad te bezoeken. Onder leiding van een oudere 2de stuurman werden vele tempels bezocht; s avonds na vertrek vernam je in de messroom dat er in Bangkok ook andere bezienswaardigheden en attracties waren!

 

Behalve de officieren bestond de bemanning uit een mengeling van diverse Aziatische rassen; een eerste kennismaking met uiteenlopende cultuursferen en beschavingsniveaus.

Zowel in Amsterdam als in Batavia (sinds 1950 Djakarta) vonden vele mutaties onder de officieren plaats. Van degenen die in de oorlogsjaren gevaren hadden, kwamen wat verhalen los over die periode en daarvoor. De indruk die je daarover kreeg, kwam tot uiting in een gedichtje dat eens op het notice bord in de messroom was te lezen:

 

In times of war

God and the sailor we adore

But when war is over and peace remitted

God is forgotten and the sailor quitted.

 

 

Van vierde tot en met eerste stuurman.

Na het behalen van de 3de rang werd begin 1948 een vierjarig contract getekend bij een uitzend rederij wier vaargebied buiten Europa lag. Per Constellation werd van Schiphol naar Batavia gevlogen. Dit was de eerste vliegreis van de meer dan vijftig die gedurende de loopbaan op zee gemaakt werd.

Toentertijd werd 's nachts niet gevlogen en overnachtingen waren geregeld in hotels te Cairo, Karachi en Bangkok. Op Schiphol liep je toen van het noodgebouw over de grasmat naar het vliegtuig en voor het instappen werd door een fotograaf een foto van je gemaakt, die naar huis werd opgestuurd.

In het vliegtuig kreeg iedereen een passagierslijst en wist je wie en waar je medepassagier zat. In de vliegbagage zat de pas gekochte trommelsextant. De andere bagage ging per schip naar het vaargebied.

 

Muck van der Kroft

Rotterdam

2 December 1992