Het is 10 mei 1940, ik ben 12 jaar,
en het is een uur of 6 in de ochtend. Ik word wakker van vliegtuiggebrom en
vreemde doffe ploffen die ik nooit eerder gehoord had. Ook hoor ik gestommel in
huis en ga maar eens kijken. Mijn vader en moeder staan in hun ochtendjassen op
straat naar de lucht te kijken waar je telkens een zwart wolkje ziet en kort
daarop een doffe plof. Dat is luchtafweergeschut zegt mijn vader en ze schieten
op duitse vliegtuigen want de duitsers zijn ons land binnengevallen. Dat was
voor mij het begin van de oorlog en we wisten toen helemaal niet hoe dat nu
moest aflopen. Zouden de duitsers hier nu altijd de baas blijven?
In het begin ging het leven nog een tijdje z’n gewone gangetje; het enige
verschil was dat je duitse soldaten zingend door de stad zag marcheren. Maar
hoe langer de oorlog duurde hoe akeliger het werd. Een van de eerste vervelende
dingen was dat het eten op de bon ging. Door die oorlog was er van alles te
weinig. Daarom kreeg je per persoon een bonkaart voor allerlei soorten eten,
brood, vlees, suiker, aardappelen enz. en iedere keer als je een bepaalde
hoeveelheid kocht moest je daarvoor natuurlijk betalen maar ook voedselbonnen
inleveren. Later in de oorlog toen er nog minder eten was kwamen er op centrale
punten in de stad z.g. gaarkeukens waar eten werd klaargemaakt en waar je tegen
inlevering van voedselbonnen en geld kant en klaar eenvoudig eten kon afhalen.
Ook moesten wij alles verduisteren d.w.z. dat er helemaal geen licht naar
buiten mocht schijnen als je in huis het licht aan deed; er brandde helemaal
geen verlichting in de straten, het was overal pikke donker.
Op een dag kwam er een bevel van de
Duitsers dat we alle koperen voorwerpen moesten inleveren; ook moesten de
kerkklokken worden ingeleverd (dat was allemaal voor de oorlogvoering). Wij
hadden veel koper maar mijn ouders hebben toen een beetje oude rommel
ingeleverd en de rest in huis verstopt.
Wij woonden toen in het
statenkwartier hier in Den Haag en op een kwade dag in 1941 kwam er bevel van
de duitsers dat iedereen die in scheveningen en in het statenkwartier woonde
hun huis uit moest en ergens anders moesten gaan wonen. Mijn vader had het
geluk een huis in Wassenaar te vinden dat precies groot genoeg voor ons was. Ik
vond het een veel mooier huis dan we hadden met een oprit naar de garage en met
een voor- en achtertuin. Maar…… wie weet nu waarom al die mensen uit hun huizen
weggejaagd werden?
Er was al veel eerder bevel van de
Duitsers gekomen dat je niet naar de engelse radio mocht luisteren (er was in
die tijd natuurlijk nog geen televisie) en als je dat toch deed kwam je in de
gevangenis of in een concentratie-kamp. Maar wij luisterden toch, elke avond om
8 uur naar een nederlandse uitzending van de BBC, dat was “Radio Oranje” en dan
hoorden we hoe de oorlog tegen de duitsers verliep want in de nederlandse radio
en in de nederlandse kranten stonden allemaal leugens dat de duitsers overal
aan het winnen waren. Maar op een kwade dag werd het toch te riskant en heeft
mijn vader de radio weggebracht naar een timmerman met een grote werkplaats die
hem daar verstopt heeft.
In september 1944 kon ik niet meer
gewoon naar school, de Duitsers hadden de school in beslag genomen en er was
geen brandstof om de school te verwarmen. Soms konden we naar een les bij
mensen thuis of bij een leraar en dan hadden we een uurtje les, meer niet.
In de zomervacantie van 1944 fietste
ik op een zekere dag van Den Haag naar Wassenaar. Ik was al een eind op weg
toen ik op het fietspad een duitse soldaat met zijn hand omhoog zag staan. Ik
schrok wel maar stopte toch maar. Ik moest mijn fiets aan hem geven aan daar
kreeg ik een briefje voor; ik heb het nog, daar staat op:……., en dat betekent:
Toen moest ik verder naar huis
lopen.
Toen op een dag, het is 8 september
1944, hebben wat meegemaakt dat jullie en jullie pappa’s en mamma’s ook nog
nooit hebben meegemaakt. Het is een zonnige middag, toen wij plotseling een
doffe klap hoorden direct gevolgd door zo’n oorverdovend motor-lawaai dat we
dachten dat een vliegtuig met heel veel motoren heel laag door onze laan kwam
vliegen. Mijn vader riep: allemaal naar de kelder, maar voordat we er allemaal
in waren werd het lawaai steeds minder totdat het helemaal stil werd. Wij
wisten helemaal niet wat dat nu was geweest en gingen op straat kijken maar
daar was niets meer te zien, ja toch een kronkelende witte streep hoog in de
lucht. De buurjongen was bij dat lawaai naar buiten gehold en wist niet wat hij
zag. Er ging iets de lucht in met heel veel lawaai en veel vuur er achter
steeds hoger en hoger totdat het verdween en je nog alleen die witte rookstreep
zag.
En wie weet nu wat wij toen hebben
gezien?...................een V 2 rakket.
Later in september 1944 hoorden we
dat de geällieerde troepen al opgerukt waren tot in Brabant en Bergen op Zoom
al was bevrijd en nu verder oprukten in de richting van Rotterdam; allerlei
geruchten deden de ronde en de NSB-ers en duitsers werden steeds banger. In
onze laan woonde en beruchte NSB-er, Max Blokzijl, en die vluchtte toen weg
naar Groningen, nageloeid door alle buren , boehhhh. Die dag werd later “dolle
dinsdag” genoemd. Toen heeft mijn vader onze radio weer opgehaald!
De oorlog werd voor de duitser
steeds moeilijker en steeds meer duitsers moesten mee gaan vechten. Daardoor
kwam er in Duitsland een tekort aan mensen in de fabrieken. Daarom kwam er toen
een verordening dat alle mannen van 17 jaar en ouder zich moesten melden voor
de z.g. “arbeitsinzet”.
Mijn vader had zijn werk in
Rotterdam en had daarvoor een speciale pas waardoor hij niet hoefde en mijn
broer en ik waren nog te jong. Al die mannen moesten dan per trein naar
Duitsland worden vervoerd. Daar wilde het personeel van de spoorwegen niet aan
meewerken die gingen toen allemaal staken. Toen kon mijn vader niet meer naar
zijn werk in Rotterdam want met de auto’s rijden mocht niet en was ook geen
benzine. Er werden toen door de Duitsers her en der plotseling straten afgezet
en dan kwamen ze huis aan huis naar mannen van boven de 17 zoeken.
Mij zusje, de jongste 12 jaar oud,
had in een winkel een praatje gemaakt met een pater en later nog eens ’n keer.
Die pater had haar toen gevraagd of hij niet eens bij ons thuis mocht komen.
Dat vonden mijn vader en moeder wel goed.
Die pater vertelde dat hij zoveel
ellende in die oorlog had meegemaakt dat hij er helemaal door overstuur was
geraakt en in Wassenaar in een speciaal ziekenhuis weer beter moest worden. Hij
was nu beter maar nu kon hij niet terug naar zijn ouders in Didam of naar zijn
klooster daar in de buurt door de spoorwegstaking. Hij was daardoor zo van
streek dat hij daar gewoon zat te huilen. Mijn ouders vonden dat toch wel
zielig en vroegen toen of hij niet zolang bij ons wilde logeren. Dat vond hij
geweldig en zo kregen wij toen een pater in huis. Hij was daar zo dankbaar voor
dat hij alles deed om dat te laten zien. Zo ging hij voor ons naar boeren om
eten te halen want op die bonkaarten kon je niets meer kopen. Nu zal ik een
stukje voorlezen uit mijn dagboek van die tijd:
Wassenaar, 13 november ’44:
Van 9 tot tien over half elf op school (het was zelfs verwarmd).
Met de pater hadden we al afgesproken dat ik hem in Leiden zou ontmoeten
(na afloop van een gesprek dat hij daar moest hebben) om daarna door te gaan
naar Leiderdorp, Hoogmade e.d. (“de boer op”). Ik was nogal laat uit school
zodat ik op een holletje naar de tramhalte moest, maar de tram was wat laat
zodat ik ‘m nog makkelijk kon halen. Om kwart voor twaalf was ik op de
afgesproken plaats in Leiden maar ik moest nog tot ongeveer tien over twaalf
wachten voordat de pater kwam. Toen zijn we eerst nog naar twee adressen gegaan
die de pater nog van een van de vorige keren had en daar spraken we af op de
terugweg nog eens langs te komen. Het regende al die tijd aan een stuk door en
dat heeft die middag ook niet opgehouden. Nu, na deze twee adressen zijn we
doorgelopen naar Hoogmade. Onderweg hebben we al lopende onze boterhammen
opgegeten. De regen druppelde ons langs het gezicht zodat we tegelijk aten en
dronken. Een flink eind op weg moesten we over een paadje, dat door de
weilanden liep en eigenlijk meer op een sloot leek. Over deze sloot kwamen wij
eindelijk bij de boerderij waar we moesten zijn. De pater was hier al een van
de vorige keren geweest en daar hadden zij hem toen kaas en rogge aangeboden.
Hij heeft toen de kaas genomen en nu wilde hij proberen of we nu rogge konden
krijgen. Dat is inderdaad gelukt, een pond of 5 en wij kregen ook nog wat melk.
Bij de volgende boerderij kregen wij ook nog een fles melk en daar wezen zij
ons een andere weg naar Leiden waar we nog langs een stel Katholieke boeren en
één protestantse boer zouden komen. Bij deze kregen wij nog een fles melk en
een stuk kaas. De boerin die ons hier te woord stond was een heel vriendelijke
vrouw; trouwens bijna alle boeren die wij nu spraken waren heel aardig. Bij de
volgende boer kregen we een kaas van 6 pond. Op de volgende vier boerderijen
kregen we telkens een stuk kaas, behalve op een boerderij, waar een jonge boer
werkte, die altijd bij zijn vader at en daardoor niets op de boerderij had. De
meeste boerderijen moesten we bereiken over een kade (kaai zeggen ze daar) die
langs zo’n polderkanaal loopt en het regende zo en dan zo’n wind; het was me
een tocht! Om een uur of half vijf waren we weer terug in Leiden, maar we
kwamen nu niet langs de twee adressen in
Leiderdorp door die andere terugweg. Het was echter niet ver en de tram van
kwart voor vijf konden we toch al niet meer halen en de pater vond het vervelend om zijn
belofte om terug te komen niet te houden.
Bij de een kregen we niets en bij de
ander een zak kievietsbonen. Toen als de wind terug naar het station en
gelukkig stond er een tram, we konden zelfs nog zitten. In Wassenaar ging de
pater meteen door naar zijn eetadres en ik naar huis en meteen aan tafel. Na
het eten natuurlijk uitgerust want ik had behoorlijk moeie voeten en ook deden
mijn schouders pijn van het dragen van die alsmaar zwaarder wordende koffer.
Tot zover mijn dagboek van die dag.
Ook hadden wij geen brandstof meer
om de kamer te verwarmen en om te koken; de enige mogelijkheid was hout halen
in de bossen in Wassenaar.
Daarover een ander stuk uit mijn
dagboek:
Wassenaar 4 november ’44:
Vanmorgen zou ik weer om 9 uur naar school gaan, maar we konden op dit
adres niet meer terecht, zodat we weer terug naar huis konden. Toen ik thuis
kwam ben ik met mamma naar de groentehal geweest. Daarna met de pater
geprobeerd ergens een kar te krijgen, want wij hadden van Dora (onze hulp in de
huishouding) gehoord dat we vandaag in
Raaphorst en Ter Horst hout konden sprokkelen. Ten langen leste hebben we toen
een bakfiets bij een kolenhandelaar gekregen. Nadat wij ons een beetje
omgekleed hadden zijn we er meteen op uit gegaan. Wij zijn naar Terhorst
gegaan; niet naar de hoofdingang maar ergens waar de Duitsers het hek hadden
opengemaakt. Daar was bijna niemand en hout in overvloed. We hadden onze
trekzaag en bijl van de buren meegenomen. Over een bomkrater heen lag een boom
die door het bombardement van ongeveer een maand geleden omgevallen was. De
Engelsen wilden de V-twees raken en telkens als zij vanuit hun vliegtuigen
zagen dat ze ergens gelanceerd werden kwamen zij daar bombarderen, maar de
lanceerinstallaties stonden op vrachtwagens
en vertrokken weer snel na het lanceren zodat alleen maar bomen werden
geraakt. Wij hadden wat stukken van die boom afgezaagd toen er een vent van de
luchtbescherming kwam, die daar rondliep om te zorgen dat er geen bomen werden
omgezaagd of omgehakt. Wij moesten de zaag wegstoppen want zijn commandant liep
met een hele bos zagen en bijlen die allemaal in beslag waren genomen. We
wisten wel dat we zulke instrumenten niet mee mochten nemen maar we probeerden
het natuurlijk toch. Ondanks dat hebben we toch nog een hele bos niet al te dun
hout weten te bemachtigen. Net toen wij met het zaakje thuis waren kwam er een
jongen van de zaak waar wij die bakfiets hadden geleend het ding terug halen.
Om drie uur konden we hem weer krijgen. Na het koffiedrinken zou ik hem dus
weer gaan halen, maar hij was er niet.
Om kwart over drie ben ik er nog eens met de pater geweest maar hij was
er nog niet. Wij hebben toen een handkar gekregen. Met al dat gezanik kwamen we
pas om vijf voor vier aan. Onderweg hoorden we al van een meisje dat het om
vier uur afgelopen was, maar we deden natuurlijk net of onze neus bloedde. Wij
hebben toen nog een behoorlijk dikke den klein kunnen krijgen. Om vijf voor
vijf kwamen er weer twee lui van de luchtbescherming zeggen dat wij allang weg
hadden moeten zijn. Wij wisten natuurlijk van niets. We hebben toen nog
behoorlijk wat stukken op de kar geladen en hebben toen met man en macht het
zaakje op de Rijksstraatweg gekregen.
Onderweg kwamen we een man tegen
waarvan het karretje was bezweken door de zware last hout die er op lag. Hij
vroeg of zijn zootje op onze kar mocht
wat we toen gedaan hebben en zo ging het weer verder. Ik reed de kar maar het
was lang geen gemakkelijk werkje want je moet tegelijk de kar trekken en in
evenwicht houden. Robby (mijn broer) duwde. Zo kwamen we thuis. Het hout van die man afgeladen evenals ons
hout en toen zijn hout er weer op en ik ging mee naar de Hogerbeetsstraat waar
het ventje woonde. Daarna heb ik de kar weer gauw weggebracht, want ik was zo
moe als een hond. Ze wilden niets voor het gebruik van die kar hebben.
Tot zover mijn dagboek van 4
november
Een zwager van de pater was
directeur van de gemeentelijke distributiedienst in Doetinchem en hij kon
daarom soms voor zijn werk met een speciale auto rijden. Donderdag 21 december
kwam hij de pater plotseling halen met
een speciale vrachtauto en zo vertrok hij weer even plotseling als hij was
gekomen; wij vonden dat wel jammer want we hadden veel lol met hem gemaakt. Hij
had een mooie fotocamera die hij nog niet had meegenomen en die ik zolang mocht
gebruiken; daardoor kan ik jullie foto’s uit die tijd laten zien.
Op een dag in de winter van 1945 was
mijn broer met vriendjes gaan “spelen”. Toen hij daarvan thuis kwam zei hij:
Ed, kom eens mee naar mijn kamer kijken wat ik heb en daar liet hij mij
allerlei munitie zien. Ik vroeg : hoe kom je daar nu aan? Toen vertelde hij dat
hij met vriendjes in een villa die niet meer door de duitsers werd bewaakt door
een raam dat niet goed dicht zat naar binnen was gegaan. Daar was allerlei
munitie van de duitsers opgeslagen en daar hadden ze van meegenomen. Daar waren
ook lichtkogels bij die we uit elkaar haalden. Het was al lang zo dat niemand
’s avonds na 8 uur nog op straat mocht komen maar wij deden het stiekem toch en
toen het ’s avonds pikkie donker buiten was hebben we daar wat van aangestoken
en dat gaf nog meer licht als vuurwerk, heel mooi. Onze vader en moeder wisten
niet wat dat allemaal was en wij zeiden maar dat we dat gevonden hadden. Ik ben
toen ook nog een keer in die villa wat van dat spul gaan halen. Een paar dagen
later werd er gebeld en daar stond een politie agent voor de deur. Ja, uw zoon
heeft munitie van de duitsers gestolen. Nou mijn vader schrok zich een ongeluk
want voor zulke dingen werd je meteen in een concentratiekamp gevangen gezet.
Die agent heeft toen alles wat mijn broer had meegnomen en zei tegen mijn vader
dat hij daar nog wel meer van zou horen en mijn broer kreeg voor straf
huisarrest. Ik vertelde toen dat ik ook nog had, waar die agent niets van wist.
Hier geven zei mijn vader en die heeft toen alles wat ik had in de Wetering
(een sloot) gegooid.
Maar… we hebben er nooit meer iets
van gehoord en hoe kwam dat?? Nou de zoon van die agent was een vriendje van
mijn broer en had ook meegedaan.
Op een dag in die winter hoorden wij
in de laan dat ze zouden komen om het licht af te sluiten want er was niet
genoeg brandstof voor de electriciteitscentrale., heel vervelend want ’s avonds
alleen maar een kaars of een olielampje in een pikdonker huis en het ergste was
dat we niet meer naar de radio konden luisteren en niet wisten hoe het met de
oorlog verder ging.
Maar toen hoorden we dat er een man
was die je weer stiekem kon aansluiten als je hem wat eten gaf, een pakje boter
of een zak meel of zoiets. Nou dat deed mijn vader wel maar een tijdje later
ontdekte de elektriciteitsmaatschappij dat er toch nog steeds stroom van onze
kabel werd gebruikt. Toen kwam er weer een man en de ene buur na de andere werd
weer afgesloten. Toen wij aan de beurt waren was het 12 uur en ging hij eten.
Wij gauw die andere man geroepen en die heeft toen ons en de buren de andere
kant uit gauw weer goed afgesloten en toen die ander na het eten weer kwam was
alles in orde. Weer een dag later hebben we het toen toch weer zo laten maken
dat wij weer elektriciteit hadden.
Op een dag stond ik in de
winkelstraat van Wassenaar voor een etalage van een ruilwinkel naar al die
mooie dingen te kijken die daar lagen in ruil voor etenswaar. Ik was daar zo in
verdiept dat ik schrok van een harde stem die zei: platz habe ich gesagt. Tegen
die etalage stond de fiets van die
duitse officier, die hij wilde pakken maar ik stond in de weg. Ik ging een stap
opzij, hij pakte zijn fiets en zei tegen mij: ga je maar melden bij de
ortscommandant. Nou daar schrok ik toch wel erg van want ik was bang dat ik
naar Duitsland moest om daar te gaan werken en mijn vader en moeder zouden
helemaal niet weten waar ik was gebleven. Ik ging die richting uit lopen en die
officier en de soldaat die bij hem was fietsten langzaam achter mij aan. Ik
keek zo nu en dan stiekem om en zag dat de afstand steeds groter werd Op een
gegeven ogenblik ben ik heel hard weggerend zodat ze mij niet meer konden zien
en naar huis waar ik buiten adem aankwam. Wat is er met jou aan de hand, vroeg
mijn vader, ik heb je nog nooit zo hard zien rennen. Toen ik hem had verteld
wat er was gebeurd mocht ik niet meer naar buiten want hij was bang dat ik toch
zou worden opgepakt, ook al was ik dan nog geen 17 jaar.
Donderdag 25 april: mijn vader deed
de gordijnen beneden open en keek toen zo in het gezicht van een duitse soldaat
op straat. Die kwam meteen aanbellen. Mijn vader zei dat hij boven even de
sleutel moest halen en riep naar mij dat ik direct in het “onderduikhok” moest
en gauw mijn opklapbed omhoog doen. Ik was nog wel pas 16 maar zag er toch
ouder uit en je kon niet weten of ze je niet toch meenamen. Daarom was er onder
een stukje van het schuine dak ruimte gemaakt waar je kon komen door een kast
die voor een gat in de muur was gezet; de achterwand van de kast kon omhoog en
dan kwam je in dat onderduikhok. Die Duitser aan de voordeur vroeg naar de
papieren van mijn vader en of er nog andere mannen in huis waren. Mijn vader
zei nee en toen vertrok hij. Phoe dat was weer goed afgelopen.
Zondag 29 april 1944 was een
sensationele dag; rijen zware engelse bommenwerpers bombardeerden voor de
eerste keer west-nederland met voedsel en telkens als wij vanuit de zolderramen
een wolk zagen vallen juichte de hele buurt.
Vrijdag 4 mei duitsland heeft zich
overgegeven, hoera hoera, wat waren wij toen blij!
Dinsdag 8 mei zagen we ’s morgens de
eerste canadezen, het waren doktoren die kwamen kijken hoe de bevolking de
hongerwinter was doorgekomen, hun jeep werd bestormd door de dolenthousiaste
mensen.
‘s Avonds ja eindelijk daar kwam de Prinses Irenebrigade voorbij over
Rijksstraatweg op weg van Amsterdam naar Den Haag.
Op straat was het overal in
Wassenaar feest om de bevrijding te vieren, er werd gedanst, het Wilhelmus
gezongen (dat mocht nu weer) en overal waren de Nederlandse vlaggen uitgehangen
(dat mocht nu ook weer).
Ik hoopte toen zo’n oorlog nooit
meer mee te maken: je mocht niets, je was totaal je vrijheid kwijt, je kon
tegen mensen die je niet kende nooit zeggen: die rot Hitler met zijn bende zijn
een stelletje oorlogsmisdadigers of nog erger dan dat want ze konden je
verraden en dan werd je opgepakt.
Dat was voor mij het einde van de
oorlog.
Ed. J.
Rutten