DE UITREIS

 

 

”Wacht maar tot we je oproepen”, zei de marine superintendent van La Corona toen hij mij de aanstelling als derde stuurman bij de Curaçaosche Scheepvaart Maatschappij overhandigde. Nou kan wachten tot verveling leiden, maar aangezien ook m’n gage gelijk was ingegaan, kon ik met die situatie wel leven.

Daarvóór had hij me gevraagd hoe ik het bestaan van deze company kende en wat mij ertoe had gebracht om daarvoor te willen varen. ”Van kennissen” zei ik en ”de Carieb lijkt me een mooi gebied om te bevaren”. Die simpele uitleg was voor hem voldoende, de werkelijkheid was echter wat uitgebreider.

Met mijn ouders woonde ik langs de kust, de vissershaven was tot het door de bezetter tot ”sperrgebiet” werd verklaard mijn speelterrein en ooms voeren op de visserij en koopvaardij. Varen was dus voor mij een voor de hand liggende optie, maar de aanjager daarvoor was een buurman die in de buurt bekend stond als Ome Toon. Ome Toon was  kapitein bij de Lago Oil Company op Aruba, die het ongeluk had dat tijdens zijn verlof in Nederland de Hunnen het land binnenvielen. In de bezettingsjaren leerde hij mij zeilen in z’n BM op de Kaag en de Brasem en  vertelde hij me z’n zeeverhalen. Na de bevrijding was hij weer snel verdwenen. Ook later op de zeevaartschool, terwijl wij zwoegden over een driestrengssplits, een halve sjouwerman, een boerenplatting of een kettingsteek, wilde de praktijkleraar Blok ons wel eens ervaringen vertellen uit zijn tijd bij de CSM.

Zonder dat ik het me toen besefte was ik feitelijk al geconditioneerd voor de Caribische warmte en de koelte van de passaat.

Toch ging ik als leerling m’n vaartijd halen bij de KRL, maar de liefde wederzijds tussen de KRL en mij was niet zo groot om die relatie te bestendigen en met de Antilliaanse verhalen nog in m’n hoofd stapte ik het toenmalig zogenoemde KLM gebouw in Den Haag binnen waar La Corona, later Shell Tankers, de personeelszaken voor haar dochter CSM behandelde.

 

Na een week wachten kwam het telegram dat ik aan boord moest stappen van de Solstad een Noorse tanker die bij de Rotterdamse Droogdok Maatschappij lag en de volgende dag naar Curaçao zou vertrekken. De maatschappij stuurde een auto om m’n bagage aan boord te brengen. Op de Solstad, een smetteloos spierwit schip, ontmoette ik Hans P. 3e stuurman en Piet W. 4e WTK eveneens als passagiers met bestemming Curaçao. De opvarenden van dat schip kwamen allemaal uit een paar dorpen langs de Oslofjord, de vrouw van de steward was de sparks, de vrouw van de kok was mess-bediende en zo waren er nog een aantal familiale verbindingen. Hoewel ze geen functie aan boord hadden, was de kapitein in gezelschap van z’n echtgenote en een negentienjarige dochter die hij, dat bleek alras, als een waakhond in de gaten hield.

Onze driepersoonshut grensde aan het verblijf van de dochter en laten wij nou in onze badkamer op twee meter hoogte in het stalen schot en schroefgaatje ontdekken waardoor we, helaas slechts de douchekop in de badkamer van de kapiteinsdochter konden zien. Steeds als we daar water hoorden spetteren vochten we om een mooi plaatsje voor dat kijkgaatje maar daardoor en omdat, hoe je je oog ook voor dat gaatje draaide het zichtveld beperkt bleef, werd de schoonheid van de Noorse natuur niet voor ons geopenbaard en moesten we het alleen met de fantasie doen.  

Toen we midden op de Atlantic zoals gewoonlijk op een morgen naar de brug gingen bleek de koers te zijn gewijzigd  ”Orders changed” zei de stuurman ”next port Baltimore”. Hoe we er ook naar verlangden spoedig op de plaats van bestemming werk voor onze beloning te leveren, leek ons een uitstapje naar de States wel aantrekkelijk. Maar het bleef niet bij Baltimore, want aldaar aangekomen werden we door een agent van de maatschappij op de trein gezet naar New York. Ook daar werden we weer netjes op gevangen door een vertegenwoordiger en in een keurig hotel afgeleverd. Een novum voor ons was de- zwart wit - TV op onze kamer, -in Nederland verkeerde TV uitzendingen toen nog in het experimentele stadium-, maar omdat bijna uitsluitend american football en bokswedstrijden werden vertoond konden we niet erg enthousiast worden van deze nieuwe uitvinding.

Elke dag gingen we in the office informeren hoe ze dachten ons op de plaats van bestemming te laten komen. Kennelijk wisten ze dat zelf ook niet precies, want elke keer was het : ”we will see tomorrow”. Wij namen dat de kantoormensen niet kwalijk, wij wisten ons best te amuseren met de ons gegunde tijd en verstrekte dollars.

Nou was New York me al wel bekend van eerdere bezoeken in m’n leerlingentijd, dus we wisten wel waar we moesten zijn:. Times Sqare met z’n grote reclames voor Planters Peanuts en Lucky Strike, Radio City Hall met zesendertig danseressen op een rij die graag hun slanke lange benen aan ons wilden laten zien en het Empire State Building van boven met het mooie uitzicht. Na een dag of vijf had men de oplossing gevonden: de volgende dag met de plane naar Curaçao. Dat leek ons voor de eerste keer een prachtige belevenis, maar we wilden wel dat onze hutkoffers, koffers en plunjezakken ook op dezelfde vlucht zouden meegaan. Ook dat was akkoord. Wie niet akkoord ging met de voortzetting van de reis per vliegtuig was onze maat Piet : ”Ik stap niet in zo’n doodskist”. Het kostte een hele avond praten om hem te overtuigen van de relatieve veiligheid van vliegen vergeleken met andere middelen van vervoer en met obligate geruststellingen als “Je gaat toch pas als het je tijd is” in de veronderstelling, ook in ons belang, dat zijn tijd niet op deze vliegreis zou komen. De volgende morgen is hij onder het aanroepen van z’n beschermengel toch in het toestel gestapt. Toen we nog maar net in de lucht zaten en  we ons vergaapten aan het panorama van het uitgestrekte New York verbaasde Piet ons met de uitroep : “Gosh, dat is mooi, Als ik weer terug ga naar Holland , wil ik weer met het vliegtuig”. Onze seatbelts zaten nog vast, maar anders zouden we uit onze stoelen zijn gevallen van verbazing.

Op vliegveld Hato ontmoetten we de chef personeelszaken de Witte die ons, om te acclimatiseren naar het Dokhotel bracht met dezelfde uitspraak als de superintendent in Den Haag : ”Wacht maar tot we je oproepen”.  Toen we op het veranda van het hotel, gezonnebrild uitgestrekt in  deckchairs met een kouwe cuba libre in de hand en de beat van een Antilliaanse steelband uit de radio, de ervaringen van de afgelopen drie weken nog eens overdachten, vonden we dat we maar een goeie werkgever hadden getroffen.

Na een aantal dagen wennen aan en verkennen van de nieuwe omgeving werd ik geplaatst op de Martica van de ”mosquitofleet”. Dat was wel een erg oud “kop en kont” scheepje, met twee oliegestookte schotse ketels en twee triple expansiemachientjes, maar het had ook z’n charme. Het enige navigatiemiddel buiten het kompas was een natte-rol echolood, waarvan het papier was opgedroogd en het enige communicatiemiddel was een seinsleutel en een lamp op het schavotje, waarmee we morse-contact onderhielden met collega’s op tegemoetomende schepen en voor binnenkomst de loods vroegen aan de havendienst van Willemstad op het Fort. We stuurden niet op graden, maar op kwart-streken, maar ook dat was gauw gewend. M’n sextant kon in de koffer blijven die had ik op de vaart tussen Curaçao en Lake of Maracaibo niet nodig. Na vier maanden heen en weer varen om ons aandeel te leveren in de ruwe-olievoorziening van de plant op Curaçao, mocht ik weer voor tien dagen met verlof naar het Dokhotel. Zo goed zorgden ze wel voor ons bij die maatschappij.

 

Ome Toon heb ik zowaar nog een keer ontmoet op Aruba, hij was weer kapitein op een laketanker van de Lago. De praktijkleraar Blok sprak ik in 1952 weer aan boord van z’n viskotter “Mars Bango”. Met dat scheepje hadden hij en verwante bemanning en gezinnen de overtocht van Scheveningen naar Curaçao gemaakt, met het doel een visserijproject op te zetten in de Antillen. 

 

Jan Westerduin

2005