Na tien dagen met de
"Tjiwangi" op zee kenden we haar allemaal. Een verrukkelijke meid van
vijfentwintig die met haar stralende lach de hoofden van alle mannen op hol
bracht. Ze had het speciaal op de wat oudere getrouwde heren gemunt en hun
wensdroomblikken beantwoordde ze met een hoopgevende glimlach. De vrouwen van
die mannen roddelden over "die ordinaire del". Maar Donna was op
vakantie en ze hield van een lolletje.
Jack, ook een "tourist
class" passagier, was in de vijftig, maar oud voelde hij zich niet. De
meisjes vielen immers nog op hem. Zijn vrouw moest hem vaak tot de orde roepen.
"Stel je niet zo aan Jack!", klonk het dan te luid.
Die avond, het moet 28 of 29
november 1963 geweest zijn, waren we op de rede van Yokaichi voor anker gegaan
en Donna was als één van de eersten na het eten aan dek. Ze hing over de reling
om naar de staalfabrieken in de verte te kijken en ze genoot van de zachte
herfstavond en de oliegladde zee. Jack stevende op haar rondste rondingen af en
omvatte onverwachts met beide handen haar slanke taille. Van schrik gooide ze
haar armen uiteen en riep: "My bag!"
Jack keek over de reling en zag
Donna's tasje zo'n tien meter lager in het water liggen. Snel dreef het weg.
Hij aarzelde geen moment, trok zijn hemd en broek uit en klom op de reling.
"Are you mad?" schalde
zijn vrouw, toen ze Jack's onderbroek boven het hoofd van Donna in de peiling
kreeg.
Maar te laat! Met wat een
indrukmakende zweefduik had moeten worden stortte Jack in de diepte en sloeg
als een plank op het water. Van dek klonk gegil.
Jack zwom als een bezetene om niet
ook, zoals het tasje, door de stroom meegevoerd te worden. De gladde
scheepshuid bood geen enkel houvast.
De tweede stuurman zag het dreigende
gevaar van uitputting en liet met klepperend geraas de touwladder van lifeboat
6 langs het schip neer.
Jack greep hem vast en begon te
klimmen, hijgend, zijn gezicht van pijn vertrokken en zijn borst zo rood als
een kreeft. Om de drie treden moest hij stoppen om zijn doorweekte onderbroek
voor verder afzakken te behoeden. De toeschouwers aan dek lagen dubbel. Behalve
Jack's vrouw. Die wachtte hem, met een handdoek als een zweep in de hand,
briesend op.
"You bloody fool", riep ze
hem toe, toen hij uitgeput op het dek stapte. Een daverend gejuich brak los.
Zegevierend hief hij de armen omhoog en zijn gezicht vertrok in een brede
grijns.
Zijn vrouw slaakte een kreet van
ontzetting. Zijn opengesperde mond was een groot tandenloos gat. Bij de klap op
het water was zijn kunstgebit uit zijn mond gevlogen en naar de bodem van de
oceaan verdwenen.
Donna kwam niet meer bij.
Henk
Bouwman