HET ZWEMBAD IN

 

 

Op m’n eerste zeereis werd ik geconfronteerd met een pijnlijke ervaring, die ik in verband met het intieme karakter tot nu toe voor mezelf heb gehouden. De gebeurtenis is echter allang verleden tijd en we praten tegenwoordig wat gemakkelijker over zaken die men destijds verborgen hield waardoor ik het nu wel, weliswaar met enige schroom, openbaar durf te maken.

 

Het was tijdens de eerste reis van de Blitar, een fonkelnieuw schip van de KRL waarop m’n hutmaat en ik als leerling-stuurman waren aangemonsterd. Toen we het Suezkanaal achter ons hadden en in de Rode Zee op een zuidelijke koers naar het toenmalige Oost-Indië voeren bedacht de kapitein dat het zwembad wel kon worden opgezet. Tegenwoordig is een ingebouwd, betegeld zwembad aan boord van vracht- en tankschepen niet meer ongewoon en op cruiseschepen hebben ze er zelfs aan twee niet genoeg. Volgens weinig realistische TV-loveboat-series blijkt het zwembad zelfs een belangrijk sociaal centrum te zijn, waar rondom de fine fleur in dekstoelen luiert, elkaar bekijkt, flirt en nipt aan een bloody-mary of gin-tonic. Is het je wel eens opgevallen dat het in die series altijd mooi weer met een kalme zee is, dat het nooit een stuk of acht waait, waardoor het zwembad leegklotst, dat de enige officier een kale kapitein is die niets anders doet dan aan tafel of op dek keuvelen met aardige dames en dat de stewards en stewardessen meer aandacht hebben voor elkaar dan voor de passagiers? Je ziet daar nooit een werktuigkundige in een vette overall een technisch mankement verhelpen en een matroos is in dat soort filmpjes al helemaal een uitgestorven exemplaar van het zeevolk.

Wij voeren toen echter op een vrachtschip met accommodatie voor twaalf passagiers, waarop zo’n waterbak met veel moeite door de bemanning zelf van loodzware houten schotten, stalen binten en zeildoek in elkaar moest worden geknutseld.

Aan die paar nonnen en een pater die op weg waren naar hun missiepost was zo’n plonsvijver natuurlijk niet besteed, die hadden hun eigen wijwater van thuis meegenomen, maar het was voor die paar “handschoentjes” wel een verfrissing en dat was weer leuk voor de bemanning (om naar te kijken)

Gelijktijdig zwemmen van passagieres en bemanning was natuurlijk taboe.

Een handschoentje, zo leerde ik, was een ongeduldige jongedame die niet kon wachten tot haar geliefde in de Oost – een administrateur op een suikerplantage of misschien wel een officier in het leger bezig met de politionele acties – met verlof of na de soevereiniteitsoverdracht naar Nederland zou terugkeren, maar hem hunkerend per schip achterna reisde. Naar de zeden van die tijd, ter geruststelling van wederzijdse ouders en uit angst voor vragen van de buren, kon dat pas nadat er een huwelijk was gesloten. Dat vond dan plaats in Nederland “met de handschoen”, waarbij - uitsluitend ten behoeve van de plechtigheid – een vlotte neef of morsige oom als remplaçant van de afwezige bruidegom mocht optreden.

Volgens een vertrouwelijke mededeling van een ouder en meer bevaren bemanningslid, kwam het wel voor dat de status van zo’n  jongedame na het passeren van de warme Rode Zee en voor de aankomst in Tandjong Priok bleek te zijn veranderd van handschoentje in schandhoentje. Een triviale opmerking die ik als adspirant-officier bij een nette maatschappij veinsde niet te snappen.

Wij moesten als leerlingen ook werkzaamheden aan dek verrichten en de bootsman achtte het tot zijn taak ons in het kader van onze zeevaartkundige opvoeding de rotste karweitjes op te dragen. Het was midden op de dag en zoals dat werd genoemd wit-verziekend heet, toen we door het diabolisch grijnzend matrozenopperhoofd werden aangewezen om de zeildoekse zak in het zwembad op z’n plaats te brengen. Met het vooruitzicht op een verfrissende zwempartij begonnen we daar opgewekt aan, maar met de zon recht boven en schotten van ruim twee meter rondom ons leek het weldra of we een oud-testamentische straf in een vuuroven moesten ondergaan.

Het onder alle omstandigheden verplicht te dragen blauwe maatschappij-werkpak schuurde in die hitte over m’n bezwete schouders, heupen en kruis en toen ik daarna onder de douche de oorzaak van een pijnlijk schrijnende gewaarwording wilde inspecteren, zag ik iets knalroods met losse vellen hangen. Bij zeelieden die in de tropen varen is dat een bekend natuurverschijnsel. Door de pijn kun je je dan alleen maar wijdbeens voortbewegen en zittend wil je allen maar het voorste randje van de stoel benutten om maximaal gebruik te maken van vrije hangruimte.

Ik dacht dat een duik in het zwembad misschien wel verlichting zou kunnen brengen, maar je moet weten dat het Rode-Zee-water waarmee het bassin inmiddels was gevuld,  nog zouter is dan dat van de Noordzee en zoiets wil je wel voelen op een rauw stuk vlees. Ik schoot dus weer net zo hard uit het water als ik er was ingedoken. Een mij door de verpleger aangeboden “bokketuigje” bood ook geen soelaas.

Slapen was er met zo’n ongemak nauwelijks bij, dat was overigens in een hut onder de bak onder een stalen dek en zonder airco toch al bijna niet mogelijk en ook met een “dutch wife” of goeling tussen m’n knieën bleef het een marteling.

In die lijdenssituatie tussen waken en slapen was de geest ook niet meer zo helder en mogelijk daardoor beging ik toen een grote vergissing met nog meer pijnlijke gevolgen, waardoor de gebeurtenis van die eerste reis onuitwisbaar in m’n geheugen is blijven staan.

In die tijd hadden we geen zonnebrandcrème met beschermingsfactor 1 tot en met 12, laat staan dat we wisten van het bestaan van zoiets nieuws als de zonkracht-index waarover we nu door het KNMI worden geïnformeerd. Je moest in de tropen gewoon zorgen dat je lichaam bedekt was, een pet op je hoofd en een doek in de nek en verder had iedereen wel een flesje kajuputih-olie of een tube Nivea liggen als verzachtend middel voor de toch nog door zon en hitte gepijnigde huid.

En daarvan wilde ik voor de zoveelste keer weer gebruik maken. In het donker van de nacht greep ik naar een tube die ik uitkneep in de volle hand om daarmee het gekwelde lichaamsdeel in te smeren. Ik was daar maar net toe overgegaan toen ik met een rauwe kreet omhoog sprong en vervolgens wanhopig, met tranen in m’n ogen en een in brand staand kruis tegen het schot van m’n kooi bleef liggen.

Er lag namelijk nog een tube op de wastafel, scheercrème, van die gifgroene, extra strong, want ik had toen al een zware baard.

 

Jan Westerduin