Als men terugkijkt
naar het verleden schijnen de meer prettige gebeurtenissen zich naar voren te
dringen. En dat is maar goed want nu, met zoveel vrije tijd om terug te denken,
komen herinneringen weer voor de dag waar je van kan genieten.
Toch zijn er ook minder
vrolijke zaken die je nooit vergeet.
Zoals deze.
Hongerwinter 1944. Vader
werd weggesleept door de moffen en was gedwongen om in Duitsland te gaan
werken. Niet alleen sleepten de moffen onze vaders weg zij stolen ook het
voedsel dat voor de vrouwen en kinderen bestemd was. Het gevolg was
hongersnood.
Gelukkig hadden wij
altijd goed te eten gehad want sinds 1943 werkte vader in Zeeland en bracht als
hij thuiskwam, zo eens in de maand, schapen en geiten vlees mee. Ook tarwe en
boter en kaas, dus honger hadden we niet.
Dat veranderde natuurlijk
toen hij weggehaald werd. Maar moeder had een linnenkast vol met prachtige
nieuwe lakens, kussenslopen, handdoeken enz. enz. die ingeruild werden voor
brood, aardappels, boter en soms vlees.
Dat werd mooi versierd
door Joris Buitelaar, de schillenboer uit de van Heurnestraat, die goed in de
zwarte handel zat. Moeder ging dan met Irene daar naar toe en werd altijd met
open armen ontvangen, dat moet ik wel zeggen. Joris zn vrouw gaf Irene altijd
wat en als het zo voorkwam mochten moeder en Irene mee-eten. Joris had meestal
een stuk in zn kloten, de jenever fles stond daar altijd op tafel maar als je
honger hebt gaan je principes ook de achterdeur uit dus Moeder lachte er maar
om. Als er een prakkie over was mocht ze het meenemen naar huis. Op een goeie
dag was ze er weer toen Joris zat te schaften. Zoals gewoon had hij weer te
diep in het glaasje gekeken en zat hij in zn eten te kwijlen. Toen mevrouw
Buitelaar aanbood om Joris zn prakkie terug te doen in de pan en het aan moeder
mee te geven heeft ze het maar geweigerd, zon honger had ze nog niet.
Uiteindelijk was er geen
linnengoed meer dus dan ga je maar aan het tafelzilver gaan denken!
De moffen waren inmiddels
ook aan het verzamelen voor het Russische front, koper, ijzer, dekens, warme
kleren en bont. Ieder huis werd bezocht.
Die dag deed mn kleine
zus Irene de deur open en daar stond een droevige grootvader in Duits uniform.
Toen hij mijn zusje zag schoot zn gemoed vol en stond hij met tranen in zn ogen
zijn trieste verhaal te vertellen. Hij was het er helemaal niet met eens, toen
hij die kleine meid zag kon hij alleen maar aan zn eigen kleinkinderen denken
en zeker niet aan koper of bont. Dus zodoende hadden we ons koper nog, gelukkig
was het ook het einde van de Honger Winter en bleef het tafel zilver in het
buffet.
Jaren later toen ik koper
poetsen moest voor moeder zei ik : Wat een rot karwei! Ik wou dat die mof je
koper maar meegenomen had en voor die bijdrage kreeg ik gelijk een draai om mn
oren.
Kolen of stookolie was er
natuurlijk ook niet. Verwarming was er niet bij! Als gevolg daarvan werd iedere
boom geveld en werd het hout gebruikt om te koken op een MAJO kacheltje. Dat
was een soort miniatuur kacheltje met een nauwe doorsnede dat boven op een
normale potkachel stond en waar je papier en houtblokjes in stookte om de pan
of pot te verhitten.
Eerst werd er gesprokkeld
in de bossen en toen dat op was ging je verder weg om een boompje of twee om te
hakken.
Kennissen van mijn ouders
hadden een dochter, Annie, een lieve meid waar ik veel van hield. Zij kwamen
veel bij ons op bezoek en wij natuurlijk bij hen. Zo kwam het dus ter sprake
dat Annie en ik hout zouden gaan halen bij Wassenaar. Wij hadden nog een
kinderwagen en met een paar bijlen en een zaag van vader gingen wij op stap.
Het was bitter koud en
het was ver weg. Maar we vonden een paar berkenboompjes en hakten en zaagden
tot we de kinderwagen vol hadden.
Ja, leuk! Nou weer naar
huis terug, het werd donker, het vroor dat het kraakte en het begon te
sneeuwen.
Halverwege knapte ik af
en begon te janken want ik was zo koud en ellendig. Annie, zoals alleen een
vrouw kan, sprak me weer moed in en gaf me de sterkte om de kinderwagen naar
huis te slepen.
De ervaringen van die dag hebben een diepe indruk op mij gemaakt. Ik vertelde mn moeder later: Als ik groot ben ga ik waar het altijd warm is en dat heb ik inderdaad ook gedaan. Ik kan nog steeds niet tegen de kou en ik voel me triest als de temperatuur beneden nul valt!
John Papenhuyzen