OUD EN NIEUW

 

 

arubaJe kent ze wel, die folders van reisbureaus,- onder een strakblauwe lucht een tropisch wit bijna verlaten strand, palmbomen, een blauwe zee en liefst nog een gebronsde juf in minikledij- , waarmee ze je proberen te verleiden om toch vooral bij hun een reis te boeken. Ik weet niet of  zulke plekjes echt nog bestaan zoals de reisverkopers ons willen doen laten geloven. In het verre verleden heb ik zoiets wel gekend, de sereniteit van Playa Eagle en Palm beach aan de Westkust van Aruba, een paradijselijke aanblik van even ten westen van Oranjestad tot helemaal aan Westpunt. Geen adam of eva, ultieme rust, slechts de punten van de palmbladeren bewogen loom in de noordoost passaat; ook Oranjestad was destijds een rustig plaatsje waar het tussen 12 en 2 doodstil was.

Nu hoef je er voor je rust niet meer naar toe, het paradijs is verloren gegaan, waar eens de palmbomen stonden staan nu rijen torenhoge hotels voorzien van casino’s ten gerieve van de Amerikaanse toeristen, het strand zelf is nauwelijks meer te zien, dat staat zo ver het oog reikt, vol met strandstoelen en ligbanken, catamarans en hutjes waar je je drankjes kan halen. De zee is bezaaid met bootjes, waarvan een aantal met glazen bodems waardoor de toeristen het onderwaterleven kunnen bewonderen, en van duikplatforms voor de scuba divers. Het enige wat nog hetzelfde is gebleven is de strakblauwe lucht, maar zelfs de passaat aan deze lijkant van het eiland waait een puntje minder door de bebouwing.

De prijs van de vooruitgang.  Het geheel lijkt een tropische variant op het prachtige lied “Het tuinpad van m’n vader” van Wim Sonneveld.

Veel Arubanen zullen nu in de toeristenindustrie een goede boterham verdienen, hopelijk zullen ze er ook gelukkig door geworden. Maar Arubaans geluk bestond al vóórdat het toerisme aan z’n uitbreiding begon. Ik sprak daar toen visser die voldaan in de zon voor z’n huisje zat. Hij vertelde me dat hij het prima naar z’n zin had, een huisje aan deze kant van de weg en nog een aan de overkant, een ”amerikaan” voor de deur, buren op afstand en in elk van de twee huisjes een TV en een vrouw. Als hij geld nodig had ging hij vissen en verkocht de flinke knapen die daar werden gevangen aan het plaatselijk café, wachtte daarna af -in een harmonische tijdsbesteding tussen z’n twee vrouwen- tot er een nieuwe bestelling kwam of dat hij weer wat geld nodig had, voor hij weer in z’n visbootje stapte. Dit soort keuzes durven of  kunnen tegenwoordig nog maar enkelen te maken en die worden dan zonderlingen of luiaards genoemd.

Paul Theroux, de wereldreiziger vermeldt in zijn “Fresh air” in de republiek Palau, Micronesie in de Pacific, een van de laatste grote eilandenwoestijnen  ter wereld te hebben aangetroffen en hij geeft een lyrische beschrijving van een maanverlicht strand op een exotisch onbewoond eiland. Hoe lang zal het duren voordat de projectontwikkelaars ook daar beton gaan storten.

 

Maar ja, die worden weer opgejaagd door en ruiken geld van de horden volk die van alle gemakken voorziene, georganiseerde reizen willen maken, en dat zijn we

 – bijna allemaal- zelf. 

Een halve eeuw geleden stond er op het zuidelijkste puntje van die ongerepte beach op Aruba, direct vanaf het strand in zee, een oliesteiger waaraan wij op oudejaarsdag met het ss. ”Gastrana” lagen gemeerd om een lading crude oil van ”the Lake” (van Maracaibo) te lossen. Kapitein, stuurlieden en werktuigkundigen, kregen een uitnodiging van de Holland Club om met locale genodigden en personeel van de Lago plant (bij San Nicolas) feestelijk het oude jaar uit en het nieuwe jaar in te luiden. We wisten natuurlijk al langer hoe er in de Caribbean feestgevierd werd, dus de animo was groot en moesten door het lot de achterblijvende wachtlopers worden aangewezen. ’s Avonds togen de overige officieren in spierwitte, gestreken uniformen met opgepoetste knopen en strepen naar het feestgebouw. De zaal was warm en vol, de heren keurig in het pak en de Arubaanse dames in ruime, veelkleurige jurken met grote bloemen- of andere uitbundige patronen. Een heel ander type dan de slanke dames in de Oost met hun strakke pastelkleurige jurken met hoog kraagje en een split  tot op de heup.Hoe heet zoiets ook weer?

De band speelde de opzwepende en soms ook melancholische Caribische muziek, dus de dansvloer was vol. Nou was ik niet zo’n danseur, dus ik keek de zaak een beetje aan en toen ik de moed had opgevat om ook een dame uit te nodigen om me in het strijdgewoel te begeven, bleek er nog maar één nogal gezette Arubaanse jongedame achter een glaasje ranja aan een verder leeg tafeltje te zitten. Ik liep naar de schommel toe, vroeg haar ten dans en kreeg  een voor mij onvergetelijk antwoord : “Nee mieneer, ek daans niet met jouww, woeant als ek daans dan soeweet ek en als ek soeweet dan stenk ek.” Waarmee ze maar wou zeggen dat ze van dansen ging zweten en stinken. Het inzicht in haar eigen fysieke functioneren en de eerlijkheid daarover trof me en uit respect daarvoor drong ik dan ook niet verder aan.

Echter, eenmaal op gang, wist ik een knappe blonde Lago Lady van de tweede WTK af  te troggelen en tijdens het dansen zag ik onze kapitein nog steeds aan de andere kant van de zaal met een groepje mensen zitten. De ouwe was een gezellige eilander die voor een goede sfeer aan boord zorgde, maar ik zag hem in druk gesprek met twee knapen waarop hij overigens in de dienst aan boord niet zo gesteld was, Lucas Bols en Freddie Heineken.

De Lago Lady gunde me nog een paar dansjes en net voor ik haar als dank diep in haar blauwe ogen wilde kijken zag ik onze ouwe voorbij schuiven. Mogelijk opgejut door die twee knapen had hij de stap op de dansvloer gewaagd en hij had daarbij een aardige dame meegetroond. Hij keek echter nogal glazig en had tranen in zijn ogen, van ontroering, meende ik, of omdat hij aan z’n thuis dacht. Ik hield m’n Lago Lady even stevig vast, maakte een sierlijke draai en hoorde een diepe zucht en een harde bons naast ons. Het Gezag was zonder waarschuwing, met een brede grijns uit de armen van z’n dame gezakt en lag met één arm onder z’n hoofd, languit en blazend op de dansvloer. ”Lame hierma legge” zei hij nog.

 

Twee keer vier strepen goud met krul zo slordig op een dansvloer is al niet zo fraai, maar wat me veel erger raakte was de voor mij beschamende, legendarisch geworden vraag van mijn verbaasde lady: ”Is that your captain?”, met de nadruk op zowel your als captain. Voor mijn gevoel lag in die vraag niet alleen een veroordeling van ’s mans smadelijke neergang besloten, maar tevens een lage kwalificatie van zeelieden in het algemeen en de etat-major van ons schip in het bijzonder.

 

Decennia later was er aanleiding om dit verhaal te vertellen aan een superieur. Ik heb hem daarbij gezegd dat hij ervoor moest zorgen dat nooit meer iemand aan mij zou vragen ”Ïs that your captain?”

 

Jan Westerduin

2005