PRIKKEL

 

 

Al vroeg leerde ik, dat als een mens iets buitengewoons wil presteren, een sluimerend vuur in hem moet worden aangewakkerd. Ik was nog maar zo’n kereltje van een jaar of dertien en het gebeurde in de buurt van mijn geboorteplaats Oosterbeek, het lieflijke dorp aan de Rijn.

 

Van de rivier af gezien is Oosterbeek het mooist.Als je vanaf het water die bossen op dat heuvelachtige land ziet, begrijp je pas waarom ze dat de Veluwezoom noemen: die glinsterende rivier die tussen de kribben door stroomt, lijkt wel een strook fijne kant aan dat donkergroene land. En dan ’s lands eerste Nederlands Hervomde kerk die onderaan het dorp, omringd door bomen, stoer in het grasland staat. Of de hoge pijp van de Heveafabriek die met een sliert witte rook een dikke streep onder de Veluwe lijkt te zetten.

De Rijn hoorde bij dat dorp. We zwommen er ’s zomers in, we staken hem over met de pont bij Driel om in de Betuwe kersen te gaan eten, of we zaten aan de oever en keken naar de sleepboten die met drie, vier aken achter zich aan, uit Duitsland op weg waren naar Rotterdam.

 

Een wijd uitzicht over het Rijndal had je van Doorwerth. Het kasteel daar lag hoog op een bult en op de stenen uitkijktoren stond nog een metalen mast van een meter of tien met zo’n wenteltrapje er omheen geslingerd. Bovenop was een platformpje waar je net met vier man op kon staan.

Weinig mensen durfden dat iele wenteltrapje op. Het bewoog door de wind en de treden waren van die roosters waar je doorheen kon kijken. De meesten begonnen al te beven als ze er naar keken. Opoe, die me ’s zondags altijd meenam en voor twee kwartjes de kaartjes voor de toren kocht, zei altijd:’’Oei, het trekt me in de benen!’’

Ik durfde eerst ook niet, maar ik wilde wel graag, want vanaf dat platformpje zou je Duitsland kunnen zien. Daar hadden de grote jongens op school het altijd over.

We waren er al wel twintig keer geweest, Opoe en ik, toen ik eindelijk zoveel moed had verzameld, dat ik ook die laatste tien meter durfde te nemen.

Maar misschien was het wel dat meisje van zo’n jaar of vijftien, dat net voor mij naar boven klom, dat me een zetje gaf. Laat je niet kisten, dacht ik, en kordaat stapte ik op de eerste trede, greep de leuning en begon aan de klim. Nog geen tien treden had ik achter me, toen ik langs de toren de bult af, in de peilloze diepte keek. Mijn maag kromp ineen, mijn knieёn werden van gummi en mijn handen grepen zó vast om de ijzeren leuning, dat ze die hele mast hadden moeten afbreken, als ze me naar beneden hadden willen halen. Ik wilde gillen, maar het was of mijn keel werd dichtgesnoerd.

Opoe had me helemaal verstijfd zien staan en riep:

’’Niet naar beneden kijken, jong!’’

Verkrampt gooide ik mijn hoofd achterover en keek naar de hemel. De langs de blauwe lucht jagende wolken deden mijn ogen in hun kassen rollen. Als ik me niet zo stevig vast had gehouden, was ik zo achterover naar beneden gekukeld.

Maar plots kreeg mijn dolgedraaide blik weer houvast. Door de treden van de trap heen zag ik het strakke ronde broekje onder de rok van het meisje boven mij. Als door een wonder kwam de kracht in mijn benen terug en verslapte mijn greep op de leuning. Voorzichtig nam ik de volgende trede en langzaam kwam ik weer op gang. Gestadig klom ik door. Dat witte broekje was als de kont van een sleepboot voor een rijnaak.

’’Zie je wel!’’ moedigde Opoe aan.

Alle angst was ik kwijt en behoedzaam afstand bewarend stoomde ik door, ’t hoofd in de nek, de neus recht omhoog.

Boven me zag ik haar op het platformpje stappen. Ze keek over de reling naar beneden en zag hoe ik haar onbeschaamd onder de rok keek.

’’Mooi hè!’’ riep ze naar me.

Wat voelde ik me betrapt. Ik kreeg zo’n kop. Het liefst had ik me op de leuning naar beneden laten glijden, maar ik was er nu bijna en klom door! Nog drie, nog twee, nog een, en daar stond ik, met een hoofd als een biet, naast haar.

Ze keek me schamper aan en zei: ’’Het lijkt hier wel een vuurtoren in plaats van een uitkijktoren’’.

 

Duitsland hoefde voor mij niet meer. Als een razende vloog ik de trap weer af.

’’Je bent een flinke jongen’’, zei Opoe, terwijl ze een arm om mij heen sloeg en me tegen zich aan drukte, ’’nou heb je eindelijk ook gezien waar die grote jongens altijd over opscheppen’’.

 

Henk Bouwman