S.S. "SAIDJA"

 

 

 

 

 

In Juni 1952 kwam ik als 3e marconist op de “Oranje” in Tandjong Priok aan. In die dagen moest je bij  Radio Holland minstens twee jaar in het Verre Oosten dienen dus ik werd snel van de “Oranje” gesleurd en in het zeemanshuis geplaatst. Dat was even wennen want het zeemanshuis was geen luxueus hotel, geen douche cel maar een mandi kamer met een grote bak met koud water en harde bedden met klamboes.

Er was nog geen schip beschikbaar en overdag liep ik mee op de schepen met de Inspecteur of een technicus om reparaties uit te voeren.

Het enige vertier in Tg Priok  was Kampong Kotja dus daar gingen we ’s avonds stappen met de andere zeevaarders die ook aan de wal zaten. Het was een gewaarwording om in die atap hutjes die tot bars omgetoverd waren een koud biertje te gaan kopen en wat sateh te eten. Wel romantisch in het donker die olie lampen en die geur van de tropen maar overdag was het toch een zootje!

 

Een paar weken later ontving ik mijn “sailing orders”. Ik moest naar Pladju in Sumatra naar een Shell tanker om een collega te vervangen die ziek van boord gehaald was en opgenomen werd in het Shell ziekenhuis in Pladju. Het was haast je, rep je, zo snel mogelijk en ja, je vlucht naar Palembang is al geboekt voor morgenochtend vroeg!!!

Mooie bak, het vertrek was om 7 uur in de ochtend van Kemajoran – een flinke afstand van Tg. Priok . “Zoek zelf maar uit hoe je naar het vliegveld komt want we hebben geen transport voor je”. Ongelofelijk he? Zoiets zou men tegenwoordig niet meer kunnen flikken.

Enfin, ik een bedjak versierd die rond middernacht m’n bagage en mij van het zeemanshuis zou ophalen. Dat gebeurde dus en een paar uur later kwam ik op Kemajoran aan.

Alles nog dicht natuurlijk, ik de bedjak betaald en ben ik bij de ingang gaan zitten tot de deur open ging. Het inboeken ging snel, het vliegtuig was een ouwe Dakota DC-3 ingericht als vrachtvliegtuig met een zijbank als passagiers zetels. Net als de vracht werden ook de passagiers “geladen”. Later hoorde ik dat die vroege ochtend vlucht naar Palembang de “milk run” genoemd werd.

 

In Palembang was er niemand om mij af te halen en mij naar Pladju te brengen. Moest ik weer alles zelf regelen!

Uiteindelijk kreeg ik iemand van de Shell Marine Office in Pladju aan de draad. Het bleek dat ze niets van mijn komst afwisten, maar ze zouden een auto sturen en mij voorlopig in het Guest House in Pladju onderbrengen.

Zo gezegd, zo gedaan. In de Marine Office in Pladju werd alles verder geregeld en toen de “Saidja” binnenkwam een paar dagen later kon ik aan boord gaan. Het Guest House in Pladju was wel even een verschil met het zeemanshuis in Tg Priok en het zwembad en de bar waren prettige afleidingen voor een paar dagen.

Ik wist niet wat me te wachten stond want iedereen die ik vertelde dat ik op de “Saidja” zat te wachten grijnsde en zei: “O ja, kom je bij Belo Ola en zijn Zigeuner orkest?”

Wat bleek nu dat de chef marconist een Hongaar was die Bela Ola heette (net als de leider van een heel bekend Zigeuner orkest toentertijd in Nederland). Bela was in het begin van de oorlog bij Radio Holland terechtgekomen en voer op Shell tankers. En omdat er nog twee andere marconisten aan boord zaten werd het trio “het zigeuner orkest”.

Ik werd geen muzikant want tegen de tijd dat ik aan boord kwam was Bela Ola al lang weg.

 

De PTT in Indonesië werkte niet best.  In de jaren 50 kon het wel drie dagen duren om een telegram van Indonesië naar Singapore te verzenden of ontvangen en voor een onderneming zoals Shell was dat een groot probleem.

Om deze vertraging te voorkomen werd er op verzoek van Shell op de "Saidja" met drie marconisten 24 uur per dag wacht  gelopen.

Al het Shell telegrammen verkeer van Pladju naar Shell Singapore werd door het Shell kuststation PKM in Pladju via de "Saidja" naar Singapore Radio VPW verstuurd en vice-versa van VPW via de “Saidja” naar PKM in Pladju.

Er werd ook in de haven wachtgelopen en het telegrammenverkeer was overdag erg druk . Op dat schip heb ik echt wel m'n sporen verdiend want de telegrafisten op PKM hadden altijd haast en seinden minstens 25 woorden per minuut, er was veel verkeer en lange telegrammen van  meer dan 200 woorden per telegram.

Op de schrijfmachine hadden we een rol papier met 3 doorslag kopieën. Het ontvangen telegram was geadresseerd aan "Master Saidja", met als eerste regel van de inhoud "For Shell Singapore".  Wij hadden altijd voorrang bij VPW en als we met PKM klaar waren gingen we direct naar VPW, de tweede en derde doorslag kopie werd dan geadresseerd aan "Shell Singapore" .

De eerste regel werd dan '"from Shell Pladju quote" etc. Opnemen op de machine was de enige manier, dus fouten maken was er niet bij!

 

Het schip zelf  en haar zuster schip “Saroena” hadden ook een speciale functie op de Musi River. Tankers met volle lading van crude oil uit Miri of de Perzische golf konden niet de rivier op vanwege de diepgang. Op de rede van Muntok lag een Mulberry Pierhead waar de grote tankers en de "Saidja" langszij kwamen en waar een gedeelte van de lading werd overgepompt. Als dat gebeurd was en het getij hoog genoeg was gingen beiden de rivier op naar de Shell raffinaderij in Pladju om te lossen. De Saidja" en "Saroena"  waren zeer breed voor hun tonnage en hadden een geringe diepgang, uiteindelijk dus perfect voor de job.

 

Muntok Pladju

 

Het Mulberry Pierhead was een erfstuk van de geallieerde landing in Normandie dat door Shell aangekocht was en naar Banka op de rede van Muntok bij de mond van de Musi River gesleept was .

Mulberry Pierhead werd bemand door een Nederlandse Shell Chief Officer en een aantal Indonesiërs. Kees Cupido heette de Pier Master, een vrolijke Terschellinger die altijd een vriendelijk woord voor iedereen had. Ik moest altijd lachen als hij zich voorstelde aan de kapiteins van de tankers die langszij kwamen. Hij zei dan: "My name is Cupido - See You Pee Eye Dee Oh -".

Wij lagen ook vaak buiten ten anker of langszij Mulberry Pierhead te wachten op de grote tankers. Voor een of andere “atmosferische” reden was er veel onweer op de rede van Muntok, donder en bliksem maakte het vaak een angstige wacht. Voor veiligheid werden de antennes van het apparatuur geïsoleerd en geaard, soms vlogen de vonken door de radio hut. Zelfs op kalmere dagen was het vaak onmogelijk te ontvangen door de atmosferische storing.

 

De kapitein had altijd wel een goeie reden om naar binnen te gaan voor het weekend, voor ons was dat ook iets om naar uit te kijken want iedere Zaterdag was er dansen in de Shell soos en er waren genoeg leuke verpleegsters van het Shell hospitaal om de zaak verder op te vrolijken.

Er was er een Noorse tanker, de "Björn Stange", die regelmatig tussen Miri en Pladju voer. De attractie van de "Björn Stange" was de vrouwelijke marconist die altijd een praatje kwam maken als wij langszij Mulberry Pierhead lagen. Zij was een beeldschone Noorse waar ik verliefd op was, jammer genoeg was ze getrouwd met de tweede stuurman van de "Björn Stange".

 

Aan boord konden wij "Tjap Kuntji" of "Bintang" bier kopen via de Shell Co-Op voor 1 Rupiah per fles. Het bier was OK, de brouwerij in Indonesië was opgezet door Heineken, dus wij mopperden niet. Het mooie was dat we de lege flessen weer voor 1 Rupiah per fles verpatsten aan de sampans op de rivier. Dat klinkt goed he? Free drinks forever.

 

Na een jaar werd ik afgelost in Pladju en overgeplaats naar een Stanvac tanker die in Sungei Gerong op mij lag te wachten. Sungei Gerong was de Stanvac raffinaderij vlak naast Pladju, en het was de thuishaven voor de “Stanvac Djirak”. Voor 2 jaar lang voer ik nog op de “Stanvac Djirak” naar havens in Indonesië, Malaya, Singapore, Thailand en Frans Indo-China voor ik eindelijk in 1955 met verlof naar Nederland ging in.

 

John Papenhuyzen