UITGLIJDEN

 

 

Het beroep van handelsreiziger is één van de meest gevaarlijke. Al vroeg in mijn carrière, in de herfst van ’72, toen ik vier weken in Schotland reisde, kwam het onheil op me af. En ik ontdekte dat geen bunker me er tegen kon beschermen.

Als basis voor mijn werk had ik het Country Club Hotel in het centraal gelegen Falkirk gekozen. Om het te bereiken moest je van de weg af een oprijlaan in. Hotsend door diepe plassen, kwam je op de ongeplaveide, modderige parkeerplaats vóór het cottage-achtige gebouw.

Ik was vijfendertig en nog nooit zó lang van huis geweest. De avonden bracht ik door aan de bar met vóór mij op de toog een glas bier en een opengeslagen boek. Het glas was nooit lang vol en de barjuffrouw zorgde er voor dat het nooit lang leeg bleef. Het boek was een rustplaats voor mijn ogen wanneer ze terugkeerden van een dwaaltocht over haar strakke zwarte truitje. Mary, zo heette ze, werd met de dag mooier en het aantal bladzijden dat ik las, steeds kleiner.

Op een avond nam John naast me plaats en bestelde zijn ’pint of bitter’.

"Have another one?" vroeg hij toen onze blikken elkaar kruisten.

"Och ja, waarom niet? Graag!" antwoordde ik, blij met de aanspraak. We schudden elkaar de hand.

John was een boom van een vent met een windjack, trui en spijkerbroek waarvan de pijpen in halfhoge laarzen staken. Hij had de joviale vrolijkheid van een vrijgezel maar was getrouwd. Hij woonde met zijn vrouw ergens in Zuid Engeland, te ver weg om iedere week naar huis te kunnen. Voor een jaar had hij een kamer in een pension gehuurd, want voor die periode was hij als ingenieur op een plaatselijke olieraffinaderij gestationeerd. John praatte graag en toen hij zag hoe ik naar Mary keek, vertelde hij me over Ann.

Zij was een Schotse van tweeëndertig jaar die met haar man in Sydney woonde maar nu in haar geboortestreek op vakantie was. Toen haar man voor zijn werk eerder terug moest, had Ann zich graag door John laten versieren. Zonder schroom vertelde hij me over hun uitspattingen tussen de lakens. Ik smulde van de dampende details en werd nieuwsgierig naar Ann.

"Waarom kom je niet eens met haar een borrel bij me drinken?" vroeg ik toen hij aanstalten maakte om op te stappen. Enthousiast nam hij de uitnodiging aan en we spraken af voor de vrijdagavond.

Ze overtrof mijn verwachtingen. Klein van stuk, maar rond en atletisch als een Shetlandse pony. Haar verrukkelijke glimlach verwarmde als de Australische zon. Ik dacht aan de verhalen van John. De bofkont!

We namen plaats in de lounge en ik bestelde de drank. Het gesprek vlotte. Eerst met John over auto’s en politiek, maar naarmate de avond vorderde nam Ann meer deel aan de conversatie. Over de liefde en het huwelijk had ze het hoogste woord.

Na het zoveelste rondje kregen haar ogen een ondeugende twinkeling. Haar blik was misschien een weerspiegeling van de mijne, want ik moet bekennen dat ik haar erg aantrekkelijk vond. Begrijp me goed, John beschouwde ik als mijn vriend en van flirten was geen sprake. Natuurlijk betrokken we John regelmatig in ons gesprek.

 

Ik voelde dat zij ook op mij viel en toen ze giebelend naar het nummer van mijn kamer vroeg – ze wilde eens zien hoe groot die was – verslikte ik me bijna in mijn whisky. John reageerde niet. Die zat onderuitgezakt en nipte rustig van zijn bier. Midden in mijn theorie over een pauselijke encycliek voelde ik dat ze onder de tafel met haar voet mijn been aanraakte. Om John niet te alarmeren praatte ik door en deed of ik niets had gemerkt van de brug die zij probeerde te slaan. Het zweet brak me uit. Zou ze echt met me…………………………?

"Time is up, ladies and gentlemen!" Het was één uur. De bar ging dicht en er kwam een eind aan de avond. John en ik liepen samen naar de uitgang terwijl Ann "nog even haar neus ging poederen".

"Wacht jij hier even op Ann, dan ga ik de auto vast starten", zei John terwijl hij de kraag van zijn windjack opzette.

"Nee, John, wacht toch even, Ann is zo terug", smeekte ik bijna.

Gelukkig, daar was ze! Bedankt voor de gezellige avond. Een kusje op m’n wang en tot ziens. Hand in hand doken ze de nacht in. De regen kwam met bakken de lucht uit.

 

In mijn kamer schonk ik uit de tax-free fles nog een whisky in, stak een sigaret op en zette me in de enige gemakkelijke  stoel. Gelukzalig droomde ik na. Wat een avond en hoe was mijn ego gestreeld. Was ik geen dief van mezelf geweest? Had ik niet iets doortastender moeten optreden? Ze was voor het grijpen, dat kon je zó zien. Wat zou het heerlijk geweest zijn, samen hier…………………………D’r had toch geen haan naar gekraaid? Ik terug naar huis en zij naar het verre Australië. Een zalig avontuur zonder nasleep.

Ik sloeg de laatste slok achterover, maakte m’n sigaret uit en zette de wekker op zeven uur.

Nèt had ik mijn stropdas afgedaan, toen er werd geklopt. In drie passen was ik bij de deur en trok die wijd open. Daar stond ze: Ann! Druipend van de regen maar nog steeds met die ondeugende lach. Had ze ruzie gekregen met John? Gedecideerd stapte ze m’n kamer binnen.

"Darling, wat een mooie kamer heb je hier."

Ik moest er nu geen gras over laten groeien. Dit was het moment waarop ik handelend moest optreden.

"Nee...nee...niet doen", zei ze, terwijl ze me met beide handen afweerde, "de auto wil niet starten. John vraagt of je even komt duwen."

John zat achter het stuur en riep iets over vocht en een zwakke accu. Ann ging naast hem zitten. De plek waar de kleine Engelse auto stond liep iets af. Ik zette beide handen tegen de kofferbak, probeerde in de blubber houvast te vinden voor mijn molières en begon te duwen. De regen droop in mijn nek. Mijn voeten gleden weg en ik zakte op mijn knieën in de modder. Moeizaam kwam ik overeind en probeerde het nog eens. Glibberend en slibberend kwam er langzaam beweging in. Toen we een beetje vaart hadden riep ik met een laatste restje adem:

"Now!" Goddank, de motor sloeg aan. Door de beslagen achteruit zag ik vaag hoe ze beiden de hand opstaken en naar me zwaaiden. Met veel motorgeronk verdwenen de achterlichten in de duisternis.

 

Ik had geen droge draad meer aan mijn lijf en de modder zat in m’n haar. Mijn voeten sopten in mijn schoenen.

 

Henk Bouwman